Welkom bij Fandata
 Aanmelden  
maandag 19 oktober 2020 
Online databases
· Fandata online
· Online boeken
· Linken
· Downloads
· Kunst

Allerlei
· Zoeken

Kunstgallerij
Frank Frazetta
Frank Frazetta
 

Taalselectie
Selecteer interface taal:
EngelsNederlands

Boeken online

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Ter beschikking gestelde titels Alle online te lezen titels

Richard Meijer

De hoeder van het water


Het was op een zachte avond in mei dat Gideon het gerucht vernam. Hij zat op zijn vensterbank in de zon, verdiept in een boek dat de religieuze riten van de Tolteken beschreef. Een jongen en een meisje hielden luid pratend halt onder zijn raam: ‘Ik zweer het je, ik haalde een vuiltje uit haar oog.’

‘Met je tong zeker, smeerlap!’

‘Maar liefje... ‘

‘Sodemieter op, ik ken je niet.’

‘Maar ik hou van je.’

Ze stopte abrupt en keek hem aan: ‘Achter het Centraalstation vaart de veerpont van en naar Amsterdam-Noord met vaste bestuurders. Behalve op zondagnacht bij volle maan, want dan staat een zwijgzame jongen aan het stuur. Hij heeft geen ogen, maar in zijn kassen zijn twee diamanten geplaatst. Zo lijkt het dat hij de mooiste ogen ter wereld heeft. Breng mij deze juwelen en ik geloofde je gisteren.’

‘Wat?’

‘Op de Oosterbegraafplaats ligt een grafheuvel die steunt en zucht wanneer de wind uit het westen komt. Het is de klacht van een dode die ooit door zijn vrouw werd vergiftigd omdat zij zich verveelde. In het graf ligt de Gouden Kelk waarin zij het gif bereidde als eeuwige kweller van haar overleden gade. Bezorg mij deze Kelk en ik geloof je vandaag.’

‘Hè?’

‘In het Vondelpark staat een kring van bomen. Het zijn geen echte bomen, maar Dryaden die deze vorm hebben aangenomen. Ze treuren en getuigen, want de oudste bomen zijn voorgoed verdwenen. In de kruin van de hoogste boom ligt een Kam die gemaakt is van mensenbeen, melktanden en paarlemoer. Wanneer je de Kam door je haren haalt, fluistert zij vergeten verhalen van weleer. Breng mij deze Kam en ik geloof je morgen.’

‘Maar schatje.’

Ze greep hem bij de stropdas en trok zijn hoofd naar beneden: ‘Mocht het je niet binnen drie dagen lukken, dan zal ik je door mijn duivels laten halen die je tot het einde der tijden zullen martelen.’ Ze gaf hem zo’n duw dat hij omviel en liep weg. De jongen keek haar na, stond op en stofte zich af. ‘Knettergek’, mompelde hij en fatsoeneerde zijn das. ‘Kijken of Anneloes vanavond vrij is.’ Hij stopte zijn handen in de broekzakken en liep richting Dam. Gideon had de twee gefascineerd gadegeslagen. Wat een leuk meisje zeg! En dan die verhalen. Vreemde verhalen, toververhalen, zou je bijna zeggen. Hij stond op en trok zijn schoenen aan. Een blinde veerman, een klagend graf en treurende bosnimfen, daar moest hij het fijne van weten. Gideon daalde de trappen af, op naar de schuur waar zijn kano hing. Even later legde hij de kano in het Singel, klom aan boord en duwde af. De zon stond al laag en scheen in zijn rug toen hij de rivier bereikte. Gideon sloeg rechtsaf en peddelde de Amstel op. Dianes woonark lag verborgen in het hoge riet bij de Utrechtsenbrug. Terwijl de zon achter de huizen van de stad zakte, meerde Gideon bij de loopplank aan. Diane kende alle sprookjes, legenden en sagen die je maar bedenken kon.

‘Gideon, wat gezellig.’ Haar gezicht hing uit het raam van de ark.

‘Hoi, mooie avond, nietwaar?’

Ze hielp hem door het raam naar binnen en gaf hem een zoen: ‘Schitterend, welwaar! Kom mee, gaan we buiten naar de zonsondergang kijken.’

‘Net te laat,’ Gideon blikte naar het stukje zon dat achter de stad verdween.

‘Nou ja, dan drinken we thee onder de sterren.’

Op het drijvend terras aan de westelijke woonbootkant dronken ze thee.

‘Ik hoorde vandaag vreemde verhalen. Vreemd, maar erg gaaf. Ik hoorde maar een klein stukje en was benieuwd... ’

‘Vertel.’

Gideon vertelde over de blinde veerman op het IJ, over het graf op de Oosterbegraafplaats en over de benen Kam die nog veel meer verhalen zou kunnen vertellen.

‘Wie heeft dit verteld?’

‘Een meisje onder mijn raam, hoezo?’

‘Deze verhalen ken ik. Ik ken ze alledrie en meende dat ik de enige was.’ Alle vrolijkheid was uit haar gezicht verdwenen: ‘Het zijn geheime vertellingen die geheim moeten blijven. Anders kunnen ze gevaar betekenen, voor ons en voor de stad.’

‘Hoe kan iemand ze dan onder mijn raam vertellen?’

‘Geen flauw idee, maar het maakt me ongerust.’

Gideon zette zijn theekopje op de tafel en stond op: ‘Er is vast een logische verklaring, zal ik het aan Ralph voorleggen?’

‘Ik vrees dat hij minder weet dan wij.’

‘Kom, niet zo bedrukt, zodra ik meer weet hoor je van me. Tot snel.’ Hij gaf Diane een zoen en verliet het terras. De maan klom naar de middenhemel terwijl hij onder de Berlagebrug door kanode. Ralph woonde in de Pijp, op drie en vier hoog: links het Amstelkanaal op, door naar de Boerenwetering. Gideon meerde aan bij de Ruysdaelkade en klauterde de wal op. Ralphs woning was even verderop, via de Albert Cuyp naar links en dan weer rechts. Vijf minuten later belde hij aan, maar niemand reageerde. Die zat op het dak, zeker weten. Gideon pakte zijn sleutelbos en opende de deur. Vanuit zijn woonkamer op de derde verdieping had Ralph een wenteltrap doorgetrokken naar de zolder, die omgebouwd was tot een wonderbaarlijke slaapkamer. In het midden stond een gigantisch hemelbed, met daaromheen een woud van planten. Alle soorten en maten waren aanwezig: diverse ficussen, kolossale hangplanten, waaronder zich enkel varens koesterden, en talloze andere florabewoners waarvan Gideon de naam niet kende. Het dak was van plantvriendelijk glas dat het zolderwoud voldoende zonlicht verschafte. Nu kleurde het maanlicht de kamer donkerblauw, terwijl de planten grillige schaduwen over de vloer en de wanden wierpen. Het dakraam stond open en Gideon beklom de ladder naar het dak. Ralph knikte toen hij Gideons hoofd door het gat zag steken: ‘Gideon, gezellig! Kom je een maanbad nemen?’

‘Niet echt, nee. Ik was benieuwd... heb jij iets vreemds bemerkt?’

‘Hoe bedoel je?’

Gideon vertelde over het gerucht en over zijn bezoek aan Diane. Ralph knikte: ‘Ik hoorde over een onbekende die vreemde kleuren draagt en naar de stad komt. Maar niemand weet wie hij is. In ieder geval is hij nooit eerder hier geweest. Ook hoorde ik in het ruisen van de wind dat de Dagda zich zorgen maakt.’

‘Het moet met dat meisje te maken hebben. Weet je waar ik haar kan vinden?’

‘Geen idee.’

Ze spraken af elkaar op de hoogte te houden. Mocht er iets vreemds gebeuren, dan zouden ze onverwijld contact opnemen. Gideon wandelde naar zijn kano. Via de Boerenwetering en de Singelgracht peddelde hij naar de Leidsegracht, linksaf het Singel op. Bijna thuis bedacht hij zich en zette koers naar het IJ. Het was zondagnacht en de maan was vol. Gideon legde zijn kano aan de ketting en ging aan boord van het veer. Op de pont bevond zich een handvol fietsers en voetgangers die geen acht op de nieuwkomer sloegen. Toen ze vertrokken liep Gideon de trap naar de stuurtoren op. De stuurman, een buikige veertiger met baard, keek om: ‘Verboden voor onbevoegden.’

‘Oeps, sorry.’

‘Is goed.’

Halverwege het IJ passeerden ze de andere veerpont. Het was net te donker om de andere stuurman te kunnen zien. Vanaf de kade In Amsterdam-Noord keek Gideon toe hoe de pont vertrok met nieuwe passagiers aan boord. Even later bereikte het andere veer de oever en Gideon stapte aan boord. Toen ze los waren van wal klom hij de trap op.

‘Hé! Jij daar! Wegwezen! Kan je niet lezen? Ben je blind ofzo?’

‘Sorry hoor.’ Beduusd keerde hij terug naar het dek. Een stuurvrouw die blijkbaar erg goed kon zien, ook in het donker. De maan scheen over het IJ en de golfjes glinsterden onder Gideons blik. Het eerste verhaal was niet waar geweest. Waarom was het volgens Diane zo gevaarlijk?


Het mgische centrum

‘Achter het Centraalstation vaart de veerpont van en naar Amsterdam-Noord met vaste bestuurders. Behalve op zondagnacht bij volle maan, want dan staat een zwijgzame jongen aan het stuur. Hij heeft geen ogen, maar in zijn kassen zijn twee diamanten geplaatst. Zo lijkt het dat hij de mooiste ogen ter wereld heeft. Breng mij deze juwelen en ik geloofde je gisteren.’ Diane ijsbeerde door de woonkamer. De manestralen kaatsten via het rivieroppervlak haar kamer in. De geheime verhalen waren bekendgemaakt. Verhalen, zo geheim dat zij ze amper mocht kennen. De verhalen die verteld zouden worden als het gevaar de stad naderde. Dan pas mochten zij aan de hoeders worden doorgegeven. Iemand had achteloos verteld over een jongen zonder ogen. Diane wist van de blinde die ooit Juwelen in plaats van ogen had gehad, maar dat verhaal was duizenden jaren oud. Een blinde die de pont over het IJ besturen zou? Dat was een verzinsel. Maar wie was op de hoogte van het geheime verhaal en had het zo vreemd verwrongen? Diane zuchtte, maar de kille angst liet zich niet uit haar borst blazen. Ook de andere verhalen klopten en waren eveneens opzettelijk veranderd. Ja, de Kam vertelde verhalen in de hoogste boom van de kring in het park, maar de bomen waren geen dryaden, het waren doodgewone bomen. Zij had de Kam eigenhandig in de kruin verborgen, maar niemand was daarvan op de hoogte geweest. En morgen moest ze naar de begraafplaats. De Kelk huilde soms, maar het was nooit een weeklacht geweest. Als de Kelk huilde, was dat een waarschuwing. Wat was er aan de hand? Moest ze de waarheid aan de anderen vertellen? Maar wat wist ze nu eigenlijk? Misschien was de Moordenaar achter de verhalen gekomen. Dan boden de vertellingen geen bescherming meer en waren ze in levensgevaar. Diane wreef haar handen over elkaar en merkte dat de kilte was uitgezaaid tot haar vingertoppen.

Die maandagmiddag werkte Gideon in de Centrale Bibliotheek op de Prinsengracht. Hier sorteerde hij boeken en beantwoordde vragen van bezoekers. In de stille uren zat hij achter zijn bureau te lezen. En als Gideon een boek in handen had leek het of hij de wereld van het geschreven woord in dook, blind voor de buitenwereld.

‘Kun je me misschien helpen?’

‘Sorry, zeg het maar.' Gideon schrok op uit zijn boek en glimlachte verontschuldigend. Aan zijn bureau stond een meisje dat zijn glimlach allerbekoorlijkst beantwoordde, waarop Gideons buik volstroomde met lentekriebels. Wat een leuk meisje.

‘Ik wil graag een scriptie schrijven over Amsterdam in de zeventiende eeuw.'

‘Daarover hebben we planken vol, heb je een specifieker onderwerp?'

‘De hoeders.’

Nu herkende Gideon haar. Gisteren vertelde ze geheime verhalen onder zijn raam, vandaag aan zijn bureau.

‘Toen de Gouden Eeuw aanbrak werden mensen uit heel Europa aangetrokken door de rijkdom en pracht van Amsterdam. Ook anderen kwamen naar de stad, op de vlucht voor de inquisitie en heksenverbrandingen die Europa teisterden. Zij vonden hier een veilige haven. Joden uit Spanje en Portugal, Protestanten wier leven gevaar liep in Frankrijk en wetenschappers, bedreigd door de Heksenhamer. Deze immigranten brachten welvaart en kennis, waardoor Amsterdam bloeide als nooit tevoor. Onder de nieuwkomers bevonden zich vele magiërs: Kabbalisten, Vrijmetselaars en anderen die nog dieper waren ingewijd in het Grote Werk. Zij klonken magie vast in de structuren van de stad. Zo groeide Amsterdam uit tot de spil van Europa en verkreeg uiteindelijk de eretitel: ‘Magisch Centrum van Europa’. Na de ondergang van Fez en Damascus was een nieuw Magisch Centrum geboren. En dus kwam de Dagda naar de stad. De Dagda, het meest heilige en geheime van de wereld. Vanuit Haar stad beschermt Zij de eerste magie tegen het kwaad. In Haar stad raken de elementen bezield, krijgen tongen en worden bevolkt met nieuwe bewoners: watergeesten in de grachten, de vijvers en in de rivier, aardgeesten in de parken en elfen in de luchtlagen. Zij bespreken onderling wat gaande is in de stad en bij de stadsgrenzen, want daarachter loert het kwaad.

Met de komst van de Dagda werden drie hoeders geroepen om Haar bij te staan:

Een hoeder van de aarde, waar de verhalen en de kennis van geheime tuinen geborgen zijn, daar waar de Dagda zich openbaart;

Een hoeder van het water, waar de Dagda verblijft en naar de wereld luistert;

Een hoeder van de lucht, waar de Dagda in het ruisen van de winden vertelt over wat er gaande is in de wereld.


Na het sterven van een der hoeders roept de Dagda de uitverkoren opvolger naar de stad. Op het moment van acceptatie kent de nieuwe hoeder zijn taak. Nooit heeft iemand geweigerd. Nog altijd waken er drie hoeders over Amsterdam. Zij lopen gevaar, want het kwaad is in de stad.’

‘Dit is geheim en moet geheim blijven, anders zal de stad ten onder gaan! Wie ben jij, wie heeft je dit verteld?’

‘Lieve Gideon, ik bewaar vele geheimen.' Het meisje kuste hem en verdween in het trappenhuis. Gideon sprong uit zijn stoel en holde haar achterna. Er was geen spoor van haar te bekennen.


Lenteregens

Die avond zat hij peinzend in de vensterbank. Hoe was ze het te weten gekomen? Waarom was het water zo stil? Gisteren, toen hij zijn kano in de gracht legde, merkte Gideon dat het water zweeg. Aanvankelijk had het hem niet gestoord. De grachtenbewoners hadden zo hun dagen. Maar ook de rivier had gezwegen. Wat moesten ze doen? De maan stond hoog aan de hemel toen Gideon het piekeren staakte en zijn harp ter hand nam. Hij sloeg drie snaren aan. Uit het instrument stegen drie noten op, grepen in elkaar en werden tot een bal van klanken die in het open venster zweefde. Gideon streelde de bal en mompelde de zinnen die de bal tot een tapijt deden openvouwen. Daarna stapte hij op het kleed en fluisterde de bestemming. Het tapijt steeg tot hoog boven de daken en vloog naar het zuiden. Ralph stond al op het dak.

‘Ben je iets te weten gekomen?’

‘Iedereen zwijgt en dat verontrust me. Diane is ook ongerust. Ze belde dat ze vannacht op zoek gaat naar antwoorden. Zodra ze weer thuis is zal ze contact opnemen. En jij?’

‘Ze weet van de hoeders.’

‘Jezus. ’

‘Gideon lenteregen’ werd hij door zijn ouders genoemd, omdat hij tijdens een wolkbreuk geboren was. Op een prachtige dag in juni waren zijn moeders weeën begonnen. Meteen waren de wolken uit alle richtingen aangestormd en het volgende moment stortte een verschrikkelijke regenbui neer op de huizen van het dorp. Geen onweer of bliksem, alleen maar een slagregen die net zo snel verdween als hij gekomen was: na Gideons eerste schreeuw stopte de bui en in een mum van tijd was de hemel blauw.

Iedereen vond Gideon een wolk van een baby. Hij was altijd vrolijk en kraaide voortdurend van plezier. Maar niet als de lenteregens kwamen. Dan kroop hij naar het raam en keek doodstil naar buiten tot de bui voorbij getrokken was. Als de wolken verdwenen waren begon de baby geluidjes te maken. Volgens zijn ouders deed hij het ruisen van de regen na.

Gideon kon zich daar niets van herinneren, maar nam de verhalen zonder meer van zijn ouders aan. Vanaf zijn vierde speelde hij immers als enige in de grote lenteregens. Aanvankelijk had zijn moeder geprobeerd hem tijdens die buien binnen te houden, maar dan had hij het op een huilen gezet, wat reden genoeg was om hem naar bed te sturen. Gideon klom dan stiekem via het raam naar buiten. Uiteindelijk waren zijn ouders gezwicht. Gideon was keer op keer kletsnat thuisgekomen, maar had nooit de kleinste verkoudheid aan zijn regentochten overgehouden.

Als het regende rende Gideon naar de speeltuin en sprong op de schommel. In de stortbui schommelde hij harder en hoger, tot hij bijna over de kop vloog en de schommel aan alle kanten begon te knarsen. Dan stopte Gideon met zwaaien. Terwijl de schommelstoel tot rust kwam staarde hij ingespannen naar de zandbak. De regen in het zand werd steeds compacter. De druppels kwamen dichter bij elkaar en vormden een waterzuil die als een bloem openvouwde. In plaats van bladeren verschenen zeven kleine dansers uit de pilaar. Dan rende Gideon naar de zandbak. De zeven vormden hierop een cirkel en dansten om hem heen tot de bui verminderde en de dansers verdwenen. Doorweekt maar heel gelukkig liep Gideon vervolgens naar huis.

Met het verstrijken van de jaren kon hij de dansers minder duidelijk zien. Tijdens de lenteregens leken ze vager te worden en Gideon begon zich soms af te vragen of hij niet droomde. Dansend in de zandbak verdwenen die moeilijke gedachten, want dan waren ze er weer. Maar na elke nieuwe lente twijfelde Gideon meer en meer aan het bestaan van de dansers in de speeltuin. Bovendien eisten zaken als school en vriendjes zijn aandacht op en verdrongen Gideons gedachten over de regendansers. Op zijn achtste holde Gideon niet langer naar buiten als de lenteregens arriveerden.

Eén keer danste hij nog. Vlak voor zijn elfde verjaardag sloeg een juniregen op het dorp neer. Gideon was zonder nadenken naar de speeltuin gehold, waar de dansers hem uitbundig begroet hadden. Temidden van de zeven danste Gideon uitgelaten, maar plots schrok hij op.

‘Mag ik meedoen?’

Achter hem stond Isabel, zijn Isabel. Het meisje dat Gideon altijd gevangen nam als ze op het schoolplein diefje met verlos speelden. Isabel, die stiekem keek als ze in de kring ‘een twee drie vier vijf zes zeven wie moet ik een kusje geven?’ speelden en altijd Gideon aanwees. Zijn vrienden riepen dat hij met Isabel ging. Gideon riep dan snel dat Isabel stom was. Maar stiekem waren ze elkaars beste vriendjes. Gideon schaamde zich, want het was raar om in de zandbak te dansen. Zijn wangen kleurden rood en hij keek verlegen naar de zandbodem van de speeltuin. Maar Isabel pakte Gideon bij de handen en zij begonnen hard rond te draaien zonder duizelig te worden. Meer dan een uur lang, zolang de regen op het dorp viel. Tot de zon door de wolken begon te schijnen en de regen opdroogde. Isabel keek haar vriendje met droeve ogen aan: ‘We verhuizen naar Nieuw-Zeeland. Nu kunnen we nooit meer spelen.' Ze kuste hem op zijn wang: ‘Dag lieve Gideon.’ Weg was Isabel.

Maandags werd Gideon elf jaar. Hij trakteerde op school, maar Isabel was er niet. De juf vertelde dat zij geëmigreerd was. Gideon was in tranen uitgebarsten, hij had onophoudelijk gehuild totdat de juf hem naar huis had gebracht. Thuis huilde Gideon een week lang. Hij en Isabel waren altijd samen geweest en nu was ze weg. Na een week huilen was de grote vakantie aangebroken en Gideon ging met zijn ouders naar Spanje. Tijdens het bouwen van zandkastelen dacht hij aan Isabel en elke avond voor het slapen gaan huilde hij tranen van gemis. ‘s Nachts droomde hij over haar, dat ze samen in de zandbak dansten. Bij het ontwaken was Gideon dan heel even blij, maar dan bedacht hij dat het maar een droom was geweest.

In augustus begon het nieuwe schooljaar in de hoogste klas. Langzaam maar zeker verflauwde de herinnering aan Isabel. Toen Gideon een jaar later naar de middelbare school ging, was hij haar vergeten. En met haar waren de regendansers eveneens verdwenen.

Op zijn achttiende begon Gideon met de studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Geschiedenis leek de wortels van alle verhalen te herbergen. Het woord alleen al beloofde immers duizend en een nieuwe verhaallijnen. Hij was tijdens de middelbare school verzot geraakt op Germaanse legenden, Scandinavische sagen, Griekse en Latijnse mythen en alle andere soorten vertellingen. Via de studie zou hij zijn kennis kunnen uitbreiden, parallellen ontdekken en nieuwe verhalen aan de vergetelheid ontrukken. Tenminste, dat had hij gedacht. Het was echter een grote teleurstelling gebleken. In de collegezalen werden de mooiste verhalen uitgebeend en vervolgens op hun waarheidsgehalte getoetst. En nieuwe verhalen had hij niet gehoord. Na een half jaar was Gideon gestopt. De directe reden was de schampere opmerking van een docent geweest, dat hij misschien beter een spannend boek vol verhalen kon lezen.

‘Waarschijnlijk wel ja’, had Gideon geantwoord en was de collegezaal uitgelopen. Via een kennis kwam hij terecht bij de Centrale Bibliotheek. Studeren had hem een immense kater gegeven en vanaf dat moment bepaalde hij zelf welke boeken gelezen werden. Geschiedenisverhalen, heelalverhalen, natuurkundeverhalen, het maakte niet uit. Elk boek bleek een verhaal te herbergen als je het op de juiste manier las.

En in een juninacht had het geregend. De druppels sloegen zo hard tegen het raam dat Gideon ontwaakte en naar buiten stoof. Langs het Leidseplein naar het Max Euweplein, door de ijzeren poort het Vondelpark in. De fontein in de grote vijver spuwde water naar de regendruppels. Het regenwater sproeide terug. De waterzuil veranderde in een reus die hem wenkte.

‘Welkom Gideon.’

De twee waren uit het niets verschenen en hadden hem bij de handen genomen. Gedrieën waren ze in de vijver gesprongen en bij de fontein ontmoette Gideon de Dagda. Zij had hem als hoeder van het water uitverkoren. Het was de eerste en de laatste ontmoeting met de Vrouwe geweest, het moment van de wederzijdse acceptatie. Daar was het inzicht gekomen en Gideon had de taak aanvaard. Ralph en Diane verwelkomden hem: ‘Vertel het water van de stad dat je er bent. Duizenden wachten op de komst van de nieuwe hoeder. Zij zullen je hun wederwaardigheden vertellen en ook de verhalen van hun broers en zusters: de zoete wateren van de wereld. Zij zijn nieuwsgierig en willen je leren kennen.’ De twee hoeders verlieten de vijver, terwijl Gideon in het water luisterde naar de verhalen van de grote fontein.

De volgende morgen had hij zijn kano gekocht en was de rivier opgevaren. Van ‘s ochtends vroeg tot diep in de nacht was hij op het water gebleven. Overal was het water vervuld van de Dagda en daardoor vol van leven. Iedere geest, in de grachten, in de rivier, in het IJ en in de vijvers van de parken, had hem begroet en verhalen verteld.

Zo was Gideon de hoeder van het water geworden. Met het water had hij de stad en haar magie beschermd. Nu was er iemand gekomen die van hen en hun taak wist. Een meisje dat dat niet kon, niet mocht weten. Als zij de geheimen aan anderen zou openbaren, zou de Dagda de stad verlaten en zou Amsterdam sterven.


De Storm

Ralph riep de winden en het begon het waaien. Gideon deed enkele passen achteruit, want de lucht behoorde Ralph toe. Een half uur lang stond deze roerloos op zijn dak, totdat de wind ging liggen.

‘Iedereen is weg!’

Ralph wankelde naar Gideon die hem, net voordat hij viel, wist op te vangen.

‘Waar heb je het over?’

‘Het is stil, Gideon! Uit de windstreken waar stormen geboren worden, klinkt niets meer. Geen echo, geen fluistering, helemaal niets, alsof er nooit gesproken is. De wind is kil. Alle verhalen, alles is weg. Vreselijk gevaar wacht om de hoek. Na eeuwen wachten worden wij toch verrast. Nooit eerder zweeg de lucht!’ Schichtig keek Ralph om zich heen: ‘Het is niet langer veilig, we moeten naar Diane. Zij kent de geheimste tuinen!’

Gideon nam Ralph in zijn armen en probeerde hem te kalmeren: ‘Diane komt pas morgenochtend terug. Kom, ik breng je naar bed.’

In de slaapkamer begon Ralph te brabbelen over de komst van het kwaad en de dood van het leven. Gideon wiegde hem in zijn armen en probeerde hem gerust te stellen: dat er vast een logische reden voor de stilte was, maar dat Ralph eerst tot zichzelf moest komen. Morgen zouden ze samen naar Diane gaan. Dan zou alles op zijn pootjes terechtkomen. Uiteindelijk zakte Ralph op het matras: ‘Goed, Ik zal gaan slapen.’

‘Morgen pluizen we alles uit.’

Ralph knikte afwezig. Hij zag grauw.

‘Ik slaap beneden, oké?’

‘Nee, je moet naar huis.’

‘Zeker weten?’

‘Ik wil alleen zijn.’

‘Tot morgen dan.’ Gideon trok de deur zachtjes in het slot. Nu voelde hij ook hij de angst. Ralph die de winden niet meer horen kon. En het water, waar de Dagda zich aanvankelijk leek te roeren, was doodstil. Hij begreep er niets van. Was het meisje de bron van alles? Was zij het kwaad? Maar Gideons angst ging veel dieper. Sinds hun laatste ontmoeting vloeiden zijn gedachten naar haar lachjes, die kuiltjes in haar wangen, het mooie haar, de blosjes op haar wangen en naar haar prachtige ogen. Gideon was bang dat hij verliefd geworden was. Op iemand die waarschijnlijk het grootste gevaar vormde. Gideon bereikte zijn huis en zocht zijn bed op.

Uren eerder had Ralph de deur in het slot horen vallen. Hij had met al zijn wilskracht genoeg bewustzijn kunnen opbrengen om Gideon weg te sturen. Hier was het niet langer veilig, samen waren ze niet sterk genoeg. Sindsdien lag hij uren wakker en vocht om bij kennis te blijven. Ralph spande zich tot het uiterste in en brak de beklemming die zijn borst samensnoerde. Hij verliet het bed en speurde de kamer af. Op het dak had Ralph wel degelijk iets gehoord. Iets wat te huiveringwekkend was geweest om te vertellen, zelfs als hij uit zijn woorden had kunnen komen. Een zwarte lach had de stilte gevuld, zo ijzig en meedogenloos, zoveel vreselijker dan hij ooit ervaren had. In de lach had de ontkenning geklonken dat Amsterdam ooit het magische centrum was geweest. Alsof alle stemmen in water, lucht en aarde waren vermoord. Waar was de Dagda? Hoe konden ze Haar beschermen als Zij zweeg? Ralph huiverde. Hoe laat was het? Drie uur, het holst van de nacht was aangebroken. Hij moest Diane bereiken. De telefoon werd niet opgenomen en daarheen durfde hij niet. Maar er bestond een andere manier. De hoeder kon zijn gedachten op de winden laten drijven tot hij een glimp van Diane zou bespeuren. In de ark of in een van de geheime tuinen.

Die nacht droomde Gideon. Hij stond op Ralphs dak, maar het was veranderd: er stroomden beekjes met graven met scheefgezakte kruisen langszij, sommige van steen, andere van vermolmd hout. Een blinde jongen kwam jammerend op hem af: ‘Mijn ogen zijn gestolen. Iemand heeft mijn ogen weggenomen, ik zal nooit meer kunnen zien.’

Daarna verschenen bosnimfen en ook zij weeklaagden: ‘De Kam is verdwenen. Iemand heeft de Kam weggehaald en daarmee ons verleden. Wij kunnen niet leven zonder de Kam, waar is hij gebleven?’

Tenslotte wankelde een lijk naar voren dat zich bij de anderen schaarde. Aarde brokkelde van de dode lippen: ‘Waar is de Kelk? Hierin bereidde mijn vrouw de laatste drank, opdat ik niet langer hoefde te lijden. Maar de Kelk die met mij begraven werd en over onze liefde zong, hij is verdwenen.’

De jongen, de nimfen en het lijk kropen dicht bijeen en hun weeklachten zwollen aan tot een gehuil, zo hard dat het gehele dak trilde onder het geweld. Gideon moest zich schrap zetten om niet van het dak geblazen te worden. Het gehuil raasde over het dak, toen losten de klagers op en werd het stil.

Op het dak lagen de lichamen van Diane en Ralph. Dianes lichaam lag in een plas, met slierten waterpest in de natte haren. Ralphs grijns was verstard op zijn gezicht en zijn schedel was opengebarsten. Toen Gideon zijn vrienden zag, werd hij gegrepen door een knagende doodsangst die tot een vretende pijn in zijn borst werd.

Met een gil schrok Gideon wakker, sprong zijn bed uit en rende naar beneden. Koortsachtig morrelde hij aan het slot van zijn fiets, eindelijk klikte het open. Hij fietste zo hard hij kon, snel naar de rivier.

Voor Diane bleek het te laat. De ark was gezonken. Gideon sprong de rivier in en het koude water liet hem met tegenzin toe. Hij vond haar in de duisternis, zwom met het levenloze lichaam naar het oppervlak en sjorde het lijk op de kant. Hij snikte verkrampt, maar er was geen tijd voor tranen. Als een razende fietste Gideon naar de Pijp. Bij Ralphs huis stond een ziekenwagen, waaromheen zich een menigte had verzameld. Gideon zakte door zijn knieën toen gespreksflarden hem bereikten:

‘Van het dak gesprongen.’

‘Ja, vier hoog en dan op je kop komen.’

‘Godver, wie moet die bende opruimen?’

‘Kunnen ze niet gewoon pillen nemen?’

‘Kende je hem?’ Een agent hielp hem overeind.

De ochtend schemerde toen hij het politiebureau verliet. Nu was hij alleen. Ze hadden elkaar gehad en hun elementen. Maar hij wist dat de Amstel hem geweigerd had. Alle bewoners van het water waren verdwenen. Gideon huiverde en begaf zich naar de laatste plaats.

De grote vijver van het Vondelpark had plaatsgemaakt voor een troosteloze modderpoel. De hoeder kreunde en kokhalsde, misselijk van wanhoop en verdriet.

Een raaf stortte zich op zijn gezicht. Dat was het laatste wat hij zag. De scherpe snavel doorboorde zijn netvlies en lepelde Gideons ogen uit de kassen. Panisch gillend sloeg de hoeder om zich heen, maar de vogel vloog op en streek neer tegenover de blinde. Deze kon echter niet zien hoe de raaf veranderde in een man in zwarte smoking, waarover een rode gloed scheen. Gideon zag niet hoe de man glimlachte.

‘Ach, de laatste. Omwille van je jeugd zal ik je hart als ontbijt nuttigen. De stad heeft zijn eeuwen gehad.’

Een hand groef in de borst van de blinde hoeder, waarop deze een stekende pijn voelde. Toen stierf Gideon.

Buiten de stad

De Dagda voelde de dood van haar laatste hoeder en verliet Haar stad, via het grote meer naar de veiligheid van open zee, waarover de Moordenaar macht noch zeggenschap bezat.

Luidruchtig etend liep de man het pad op en begaf zich in de richting van de hoofduitgang. Gideons lichaam lag in het gras bij de modderpoel, met een gapende wond tussen zijn geknakte ribben. Nadat de Moordenaar uit het zicht was verdwenen, verscheen een meisje uit het struikgewas en liep naar de dode. Ze kuste de lippen van het lijk, zwaaide het lichaam over haar schouder en liep richting Amstelveenseweg. Niemand zag haar toen ze met de dode Gideon in haar armen voorbij kwam, niemand zag hoe ze hem meenam naar haar kamer in de voormalige studentenflat van Amstelveen.

Nadat de Dagda Amsterdam verlaten had begon de stad te veranderen. Hier en daar werden enkelingen overvallen door onverklaarbare gevoelens van treurigheid, innerlijke kilte en leegte. Zij waren de eersten die wegtrokken, want Amsterdam was niet meer wat het geweest was. De stad werd allengs grimmiger: waar het vroeger bruisend en gastvrij was geweest, werd het nu agressief en vijandig. Steeds vaker vormden cafés en restaurants het toneel van vechtpartijen, de straatcriminaliteit nam toe en de gevangenissen kwamen overvol te zitten. Steeds meer mensen verlieten de stad, de huizenprijzen kelderden en de grachtenpanden kwamen leeg te staan. Amsterdam kreeg nieuwe huiseigenaars, speculanten die kansen roken maar weigerden in de stad te wonen en zelfs kantoren vestigden zich liever elders, ondanks de spotgoedkope bedrijfsruimten. De gemeente kwam met grote projecten om het aanzien van de stad te herstellen, maar niets werkte. Er was geen bezieling of voldoende geld, waarop elk project in de steek gelaten werd. Zo ontstonden er nieuwbouwruïnes in de Jordaan en in de Nieuwmarktbuurt, die de stad nog grimmiger maakten. In de winter kwamen zwarte wolken als een deken boven de stad drijven. Een deken die dicht genoeg was om de zonnestralen van de stad te weren. Niemand had een zinnige verklaring voor dit fenomeen, dus legde men zich er maar bij neer.

Iedere dag had ze het lichaam verzorgd. Elke ochtend wreef ze het lichaam in met kruiden die in de poriën drongen en bederf tegengingen. Iedere middag bereidde ze een drank in een gouden bokaal. Het vocht schonk ze in het gapende gat waar ooit Gideons hart gezeten had. De twee druppels op de bodem van de Kelk bewaarde ze voor de holle kassen, die ooit Gideons ogen geherbergd hadden. De drank vertelde het koude lichaam verhalen van liefde en geheime tuinen. Bij nacht haalde ze de Kam door zijn haren en deze fluisterde verhalen van weleer in de levenloze oren. En als de lenteregens kwamen, waakte het meisje bij het dode lichaam. Ze wachtte geduldig af en luisterde naar het vallen van de waterdruppels. Zo verstreken er twee jaren. Ondanks de aanwezigheid van de dode Gideon leek haar kleine kamer zich meer en meer met leven te vullen.

Op een nacht keerde ze huiswaarts van een naburig feestje. Op het moment dat ze de hal betrad werd haar blik naar het plafond getrokken. Daar zaten twee lange jongens in zwarte jassen die tot hun laarzen reikten. Blijkbaar hadden ze hun voeten tegen de ene muur gezet, hun rug tegen de andere om vervolgens omhoog te lopen tot hun hoofden het plafond bereikten. De twee waren hier al geweest op de dag dat zij de kamer huurde. Aanvankelijk nog tamelijk doorschijnend, maar met het verstrijken van de jaren waren ze steeds concreter geworden. Voor de eerste keer leken de jongens te bewegen.

‘Waar komen jullie vandaan?’

De langste veinsde te slapen, de ander keek naar beneden en knikte haar vriendelijk toe: ‘Gegroet en een goedenacht toegewenst. Het antwoord op jouw vraag beslaat een lang verhaal, maar ik zal je de korte versie doen. Ooit begonnen wij tegelijkertijd aan dezelfde studie, welke was dat ook weer? Helaas, ik weet het niet meer. Tijdens een novemberwandeling langs het strand en kwamen uit in Schotland en vonden via Stonehenge een kortere de weg naar Spanje. Daar geraakten wij verliefd op twee leuke meisjes, wij voelden hun liefde bekoelen waarop onze harten braken en wij uiteindelijk de weg terug vonden naar het strand. Door de grote tocht waren onze lange jassen vaal geworden en gesleten, zodat wij als zwervers de collegezaal betraden, waar niemand ons gemist bleek te hebben. Integendeel, men verwelkomde ons achteloos, als zagen we elkaar de vorige avond voor het laatst. Niemand nam nota van onze gehavende jassen die wij blijkbaar gedurende de reis opgedoken hadden en waar wij al zoveel jaren elke nacht in hadden doorgebracht. In die zaal werden wij uitgenodigd voor een feest, een borrel van een kennis die deze kamer huurde. Die avond dronken wij vele glazen whisky tot wij verschrikkelijk vervelend werden en de vloer van een laag wijn voorzagen. Een ieder vroeg ons weg te gaan waarop wij in onze jassen gleden. In de hal zetten wij echter gelijktijdig onze voeten tegen de ene muur, de ruggen tegen de overzijde en liepen naar het plafond. Boos sommeerde men ons naar beneden te komen, maar wij trokken ons er niets van aan. Tenslotte begon men ons te negeren en uiteindelijk werden we vergeten. Wij keken elkaar aan: ‘Zullen we weggaan?’

‘Waarom zouden we?’ Hierop knikten we tevreden tegen elkaar en staken de hoofden in de kragen van onze jassen. Daarna zijn we in slaap gevallen en werden pas wakker toen jij met die jongen in je armen binnenkwam.

‘Maar waarom zeiden jullie dan nooit iets?’

‘Maar waarom wel?’

Toen schuurde de ander met zijn kruin tegen het plafond en bromde: ‘Waarom heb je die dode, zonder hart en zonder ogen, in je huis gehaald?’

‘Omdat ik van hem hou.’

‘Ah.’

Sindsdien had ze nu en dan gesprekjes met de jongens van het plafond. Soms namen ze een kopje thee van haar aan, maar meestal sliepen ze. Heel soms, bij volle maan, vertelden zij enthousiast over hun reis en dan vloog de nacht voorbij.

De jaren hadden geen invloed op Gideons lijk. Na het verstrijken van het derde jaar was zijn lichaam in dezelfde staat als ten tijde van zijn moord. Het bloed was niet veranderd in ammoniak, de organen waren niet verschrompeld en de huid was koud, maar fris.

Het vierde jaar ging in en op een novembernacht ontwaakte ze door lawaai en een koude wind die haar dekbed deed wapperen. Haar raam klapperde heen en weer, wind joeg het gordijn omhoog en maanlicht stroomde haar kamer in. Ze keek naar buiten. In hun vale lange jassen liepen de twee door het weiland, draaiden zich om en zwaaiden: ‘Pas op de vreemde dromen, soms zijn zij gevaarlijk.’

Treurig sloot ze het raam en liep naar Gideons lichaam, streelde zijn haar en kuste de koude lippen. De rest van de nacht waakte ze naast de bank en besefte dat het wachten nu veel zwaarder worden zou. Het meisje kreeg kringen onder haar ogen en haar wangen werden hol, het vierde jaar tekende haar gezicht met een scherpe pen. Herfst en winter kropen voorbij om plaats te maken voor een fletse lente Vermoeid zat ze op haar stoel en keek naar het acht uur Journaal. Die dag was het exact vier jaar geleden dat Gideon vermoord was. Het nieuws maakte melding van een doorbraak die ‘Amsterdam 2000’ werd genoemd Eindelijk had de gemeenteraad toestemming en zeer veel geld gekregen om Amsterdam uit het slop te halen. De stad zou opgemaakt worden voor het nieuwe millennium en opnieuw de spil van het land worden. Eerst moest het metronet uitgebreid worden tot een razendsnel verbindingsweb tussen alle woon- en werkcomplexen van de stad. Hiervoor moesten de grachten gedempt worden en de panden gesloopt, maar daarover niet getreurd: de vervallen grachtenpanden zouden plaatsmaken voor een schitterend complex van de nieuwste wolkenkrabbers met toppen die tot ver in de hemel zouden steken. ‘Amsterdam 2000’ zou de modernste stad van de wereld worden!

Toen weende het meisje bittere tranen over het dode lichaam dat ze morgen moest begraven. Het was te laat voor Gideon en de stad, ze had verloren. Haar tranen vielen op Gideons borst, stroomden naar het open gat en zie: het dichtte. Door haar tranen heen begon ze te lachen, stond op en opende het kistje dat op de televisie prijkte, tussen Kelk en Kam. Twee fonkelende diamanten zetten de kamer in een diepblauwe gloed, wat teveel was voor de televisie die het met een zucht begaf. Ze plaatste de juwelen in Gideons oogkassen, waarop een huiverende snik door zijn lichaam trok. Een knetterende donderslag brak alle wolken, de regen sloeg haar ramen stuk en spoelde de vreugdetranen van haar gezicht. Voorzichtig nam ze Gideon in haar armen en bracht hem naar het dak van de flat, waar ze uitbundig verwelkomd werden. De regendansers vormden hun cirkel rond de nieuwkomers en vingen aan met de dans. Gideon sloeg zijn ogen open: ‘Isabel? Dat is lang geleden.’

‘Veel te lang.’

De nacht werd opgeslokt door de regendans die voortduurde tot de ochtend aanbrak. De zon smolt de lenteregen, zodat de zeven dansers verdwenen. Voor het eerst sinds jaren werd de stad bezocht door een uitbundige lenteochtend, al was het maar voor even. Vanaf de flat in Amstelveen keken Gideon en Isabel toe hoe de zwarte wolken hun front boven de stad herinnamen.

‘Wie is Melchior?’

‘Een hoge duivel.’ Ze zaten op de rand van het dak, met de benen in het diepe.

‘Waarom kwam hij naar de stad?’

‘Hij haat de Dagda sinds het begin, zijn hartenwens is Haar vernietiging. Zijn macht is echter niet toereikend, want de Dagda is de Vrouwe van de levenbrengende magie. Totdat hij een gruwelijk plan ontwikkelde. Hij viel de Dagda niet zelf aan, maar Haar hoeders. Door jullie te vermoorden wist hij Haar uit de stad te verdrijven die hij zelf ingenomen heeft. Thans voedt hij zich en zuigt het leven uit het merg van de stad. Als het zover is zal de Moordenaar sterk genoeg zijn om de Dagda te doden. Ik heb geprobeerd jullie te waarschuwen, maar durfde mezelf niet te duidelijk tonen. Dan zou Melchior het geweten hebben.’

‘Daarom stond je onder mijn raam.’

‘Het was de enige mogelijkheid. Melchior was de stadsgrens genaderd en bij Diane’s Ark zou hij mij opgemerkt hebben. De drie verhalen zijn waarschuwingen voor de hoeders, maar alleen de hoeder van de aarde heeft daar weet van. De verhalen vertellen tevens waar de veilige havens zijn, maar Diane vertrouwde het niet. Daarom kwam ik naar de bibliotheek, levensgevaarlijk want Melchior was toen al in de stad.’

‘We dachten dat jij het kwaad was.’

Diane knikte somber en tuurde naar de zwarte wolken boven Amsterdam.

‘En de verhalen? Wat hadden we kunnen doen?’

‘Het verhaal van het graf en de Kelk was voor Diane. Het vertelde over liefde, sterker dan de dood. Liefde die bestaat in de derde geheime tuin, waar de Dagda vanuit het water de hoeder had kunnen beschermen. Diane vreesde een valstrik en heeft de vijf geheime tuinen bezocht. Daar ontdekte ze de waarheid en haastte zich naar huis om jullie te waarschuwen en te beschermen. De Moordenaar wachtte haar op in de ark, ik voelde haar sterven.’ Isabel rilde en veegde een traan weg.

‘Stop maar, het is gebeurd.’

‘Nee, het is belangrijk dat je alles weet. Het verhaal van de benen Kam was voor Ralph. De Kam ruist verhalen als hij door mensenhaar strijkt. Verhalen van weleer en verhalen van het nieuwe, dezelfde verhalen die voor Ralph hoorbaar waren in de winden. Uit de verhalen had hij een mantel kunnen weven die hem tegen Melchior had beschermd. Maar hij moest weg van het dak, naar de plaats waar de verhalen zich verscholen toen de Moordenaar de stad naderde. In de kring van bomen hadden de verhalen zich in de Kam verborgen, want deze vormt het centrum van waaruit de Dagda de lucht met leven en verhalen vervult. Sinds het begin vormt de Kam de talisman van de hoeders van de lucht ten tijde van gevaar. Ralph stierf toen jij Diane uit het water haalde.’

Na lange tijd vroeg Gideon om het laatste verhaal.

‘Nog nooit was er een hoeder van het water met jouw kracht. Je ouders noemden je ‘lenteregen’, omdat je met een wolkbreuk geboren werd. Die regen was het water dat jou welkom heette, want het was zo blij dat jij geboren was. De liefde was wederzijds en jullie innige band maakte wonderen mogelijk. In de regen kon jij de dansers zien, iets wat geen mens voor jou aanschouwen kon. Zij openbaren de heilige scheppingsdans van de Dagda. Als kind kon je het wonder niet alleen zien, je mocht zelfs meedansen. Maar je bleek zelfs in staat tot iets wat ook het water niet verwacht had: je liet mij meekijken en meedansen. Melchior sloeg je eerst met blindheid, want zo trof hij de Dagda dubbel hard. Maar in de tijd van de eerste stad leefde een hoeder die zonder ogen was geboren, de allereerste hoeder van het water. In die dagen woonde de Dagda nog als Vrouwe in Haar stad en uit haar gewaad vervaardigde zij twee Diamanten die de vorm van ogen hadden Via deze Diamanten kon de hoeder van het water zien en meer dan dat: hij de aura van de Dagda zien nadat Zij haar menselijke gedaante had verlaten. Vanaf nu zal jij de Dagda altijd kunnen aanschouwen, want jij maakt deel uit van de Dagda.’

Gideon keek om zich heen en inderdaad, op sommige plaatsen zag hij een glans. Het was de Dagda die langzaam richting stad kwam.

‘Hoe had ik me moeten beschermen? De vijver was drooggevallen, al het water was dood.’

‘Na Diane’s sterven restten er geen beschermhavens meer. Na de dood van Diane en Ralph was jouw dood de laatste kans.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Dat weet alleen de Dagda en ik deed wat mij werd opgedragen. Maar er bestaat een voorspelling over de hoeder uit de dood ontwaakt en de wereld zal aanschouwen door de ogen van de eerste hoeder van het water. Deze hoeder zal de laatste zijn en zijn zege zal het begin van het einde zijn.’

‘Welk einde?’

‘Meer weet ik niet.’

‘Maar hoe kom jij aan de voorwerpen?’

‘Ik ben de Moordenaar voor geweest. De Kelk was in het graf, de Kam in de bomenkruin. Zolang hun hoeders leefden was mens noch duivel in staat ze aan te raken, zelfs Melchior niet. Toen ik Diane voelde sterven heb ik de Kelk huilend opgegraven. Op het moment dat Ralph stierf was ik halverwege de hoogste boom. Melchior moet knap chagrijnig zijn geweest toen hij ontdekte dat de talismannen verdwenen waren. Waarschijnlijk denkt hij dat Diane ze opnieuw verborgen heeft.’

‘En de Diamanten?’

‘Na de dood van de eerste hoeder werden de Juwelen verborgen, want door de profetie zij zijn meer dan magische instrumenten. Net als Kam en Kelk zijn het de belangrijke talismannen, wier krachten pas geopenbaard zullen worden als het einde daar is. Daarom plaatste de Dagda de Juwelen onder mijn hoede, veilig voor de Moordenaar, de laatste hoop.’

Gideon knikte. Eigenlijk had hij geen flauw idee waar Isabel het over had. Hij duizelde nog van het ontwaken en wilde alles weten, wilde vragen blijven stellen zonder de raadselachtige antwoorden te begrijpen. Hij voelde zich alsof hij duizend jaren geslapen had, maar totaal niet uitgerust was. Hij maakte deel uit van de Dagda, maar in zijn borst knaagde de holte op de plaats van zijn hart. Hij voelde de leegte, het deed pijn, een zeurende onophoudelijke pijn.

‘Wat doen we nu?’

‘We gaan Melchior een lesje leren.’


Lenteregens (II)

Melchior had zijn troon uit botten en tranen vervaardigd en op de zwarte wolken vastgeklonken. Voor altijd zouden de wolken boven de stad hangen, even lang zou zijn troon daar prijken. Maar vannacht was er iets vreemds gebeurd. Iets verontrustends. Zijn zwarte wolken hadden geregend en de regen was niet zuur geweest. Een weldadige lenteregen had de stervende stad gelaafd en verkoeld met herinneringen aan de Dagda. Toen opnieuw de nacht aanbrak hulde Melchior zich in zijn ravenmantel en voort vloog hij, over de stad. De raaf ging op zoek naar de verstoringen, naar het gefluister over de Dagda. Hij vloog over het oude hart, het centrum dat spoedig vernietigd zou worden, maar hoorde niets. Pas toen hij verder vloog klonk achter hem een opgewonden gefluister in het opgetogen gekwetter van de mussen en spreeuwen. Geroezemoes van de spinnen die verwachtingsvol de zoete nachtdauw in hun webben vergaarden. En wat rook hij toch? Het was de geur van natte bladeren en vochtig gras, het woud na een lentebui. Voor de eerste maal in jaren dreven aangename geuren op de luchtlagen tussen de huizen, vulden de straten en leken hem uit te lachen. De raaf kraste grommend en vloog verder, over de grachten en over de rivier. Overal luisterde hij, maar overal bleef het stil. Op het gerucht na, dat steeds weer achter hem klonk. Opgewonden bespraken bloemen en wind de regen van vorige nacht, maar zwegen zodra de duivel zich omkeerde. Melchior raakte meer en meer van streek. Uiteindelijk streek hij neer op het dak van de stadsschouwburg. Terwijl het ravenlichaam uitrustte strekte Melchior zijn geest uit over de stad totdat geen enkel geluid aan zijn aandacht kon ontsnappen. In het park klonk de echo van de Dagda. De raaf kraste triomfantelijk en vloog op. In het midden van de opgedroogde vijver stond een meisje. De raaf landde vlak voor haar en veranderde in een jongeman, die een smoking van zwart met rode tinten droeg. De Moordenaar boog beleefde en stelde zich voor. ‘En wie ben jij, die het waagt mijn plannen te doorkruisen?’

‘Melchior, vergeef me als ik je op de een of andere manier mishaagd heb.’

‘Je hebt meer dan dat gedaan, je wist me te verontrusten, mijn complimenten. Vertel me je naam en laat me in je hoofd, wellicht spaar ik dan je leven.’ Melchior glimlachte bij zijn laatste leugen en strekte de linkerhand, die de vorm van een klauw aannam (Melchiors ‘hartendiefje’ noemden de lagere demonen die hand).

‘Hoorde je het gefluister in de stad niet? En toch kwam je naar de vijver.’

‘Wat jij hebt weten te roepen is slechts een bleke herinnering. Zonder Haar en de hoeder is de vijver niets! Die hoeder is dood en Zij houdt zich schuil in zee.’

Alsof het hierop gewacht had, begon de fontein te wellen en een krachtige waterstraal joeg de hemel in. Melchior deinsde terug. ‘Goedkope trucjes kunnen me niet deren,’ grauwde de duivel en maakte zich gereed om Isabel te verscheuren.

‘Nu jij!’ Aan de oever stond de doodgewaande hoeder. Verbijsterd probeerde Melchior te ontkomen, maar de modder zoog zijn voeten vast. Gideon hief zijn armen en de hemel brak in duizenden stukken, een stortbui die de vorige nacht overtrof. De Dagda viel in de fonteindruppels en in de grote regen, zo hard dat Melchior krijste en verschrompelde. De duivel kromp ineen en uit zijn lichaam walmden gele zwaveldampen. Het water reet hem uit elkaar en de flarden duivelsvlees losten op in gele rook. Toen er niets meer van hem over was, stopte de regen. De zwarte wolken waren verdwenen en overal zag Gideon de Dagda glanzen. Isabel waadde uit de vijver en de twee omhelsden elkaar: ‘Na deze nederlaag moet hij zich jaren koest houden. Als hij zich hersteld heeft, zullen wij klaar voor het einde zijn. Tot die tijd moet ik afscheid van je nemen.’

‘Ga je weg, blijf je niet bij mij?’

‘Jij bent de laatste hoeder, met jou zal de Dagda de stad verlaten voor de uiteindelijke confrontatie. Vanaf dan zal de stad het zonder Haar magie moeten doen. Maar dan zal er ook geen Melchior meer zijn.’ Isabel maakte zich uit zijn armen los, haar mond plooide in een treurige glimlach: ‘Nu moet ik gaan.’

‘Waarheen? Ik wil je niet kwijt.’

‘Ik jou ook niet, liefste Gideon.

‘Waarom ga je dan?’

De vraag bleef onbeantwoord. Isabel omhelsde hem voor het laatst en liep weg. Nog eenmaal draaide ze zich ten afscheid om: ‘Tot ziens, mijn lief.’

‘Kom snel terug.’ Gideon staarde haar na tot ze in het groen van bomen en struiken was verdwenen.


EPILOG

In Amsterdam brak een opstand uit die het land deed daveren. Duizenden mensen keerden terug naar de stad. Ze sloten zich aaneen in massale protesten tegen de sloop van de binnenstad. Dichtgetimmerde panden werden opengebroken en bezet door de terugkomers. Elke dag trokken duizenden de straat op in massale demonstraties. Maar het college van burgemeester en wethouders negeerde hen en sommeerde de politie de panden te ontruimen. De demonstraties ontaarden in rellen tussen politie en jongeren, ‘een kleine groep raddraaiers tegen wie hard opgetreden dient te worden’, aldus de burgemeester. De publieke opinie keerde zich echter tegen het college toen de ‘raddraaiers’ schouder aan schouder stonden met bewoners uit alle lagen en leeftijden. Ouderen uit de Jordaan, waarvan sommigen al meer dan zeventig jaar in de stad woonden, Amsterdammers uit rijk-Zuid, knoestige marktkooplui uit de Pijp en potige arbeiders uit de Kinkerbuurt. Het hoofd van de politie koos eieren voor zijn geld en floot zijn mannen terug, waarop het college van burgemeester en wethouders ten val kwam en de gemeenteraad met zich meesleurde. De dreun deed het kabinet wankelen en de opstand kreeg navolging in alle steden van het continent. Onder zware druk van het staatshoofd en het kabinet zwichtte het demissionaire stadsbestuur. ‘Amsterdam 2000’ werd van de kaart geveegd en veranderde snel in een onaangename herinnering waar niemand het graag over had.

Aan Gideon was de crisis voorbijgegaan. Het interesseerde hem niet, ze zochten het maar uit. Als het aan hem lag was zijn hoederschap met het vertrek van Isabel beëindigd. Na vier jaren slaap ervoer hij het verdriet: Diane en Ralph waren dood, Isabel was weg. Wat kon het hem nog schelen? Had hij niet genoeg doorstaan voor de stad? Die moest zichzelf maar redden. Hij zat in zijn nieuwe flat aan de IJ-oever en pakte zijn verhuisdozen uit. Eerst eens een selectie maken van wat weggegooid zou worden en wat zou mogen blijven. Zo kwam hij bij zijn harp, die hij na de acceptatie van Diane had gekregen. Voorzichtig zette Gideon de harp in het open venster, terwijl zijn blik met liefde over zijn instrument leed. Door het raam sloop een briesje dat drie snaren beroerde. Drie klanken stegen op, grepen in elkaar en vouwden uit tot een tapijt dat tussen binnen en buiten zweefde. Tranen prikten in zijn ogen, het was niet eerlijk, Diane had niet hoeven sterven. Ralph had niet hoeven sterven. Het kleed zweefde uit zijn raam en bleef voor het venster hangen. Hij keek er lang naar, uiteindelijk knikte de hoeder: ‘Voor de laatste keer.’ Gideon stapte op het kleed dat meteen wegvloog richting stad. Ruim een uur zweefden ze voort. Het tapijt toonde Gideon de daken, de straten en de grachten. Overal zag hij de glans van de Dagda, de bezieling die teruggekeerd was. Daarna bracht het kleed hem naar de Amstel, de rivier die hij medeschuldig achtte aan de dood van Diane. Boven het water loste het kleed op zodat Gideon in de rivier plonsde. De golfjes kabbelden, fleemden, vleiden en liefkoosden, vertelden hem dat zij er ook niets aan konden doen en dat ze hem misten en dat ze hem niet zouden laten gaan tot hij weer hun Gideon zou zijn. Gideon liet zich door de rivier vermurwen en beloofde dat hij op hen zou passen tot zijn dood, hij zou de laatste hoeder zijn. Hierop werd hij omringd door de blauwe aura die hem optilde en naar de wal bracht. Kletsnat ging Gideon op weg naar huis.

Gideons leven werd heel rustig. Overdag werkte hij in de bibliotheek en de avonden bracht hij uitgeput door in zijn huis. Het grootste deel van zijn energie was aan de andere kant gebleven en wachtte tot hij zich bij hen zou vervoegen. Als hij zich wat fitter dan normaal voelde ging hij uit varen en luisterde naar het water, dat zelden iets opzienbarends te vertellen had. Soms vroeg Gideon of er een meisje met groene ogen naar de stad gekomen was, maar geen watergeest of golf die er iets van wist. Op die betere dagen maakte Gideon ook wel lange wandelingen langs de rivier en langs het IJ, of hij peinsde uren bij de grote vijver in het park. Zijn collega’s van de bibliotheek begonnen hem meer en meer een zonderling te vinden, maar dat deerde de hoeder niet. Veel behoefte aan mensen had hij niet meer. Terwijl de jaren verstreken begon elke maand zwaarder op Gideon te drukken. Steeds meer behoefte was er aan de laatste slaap en steeds vaker hoopte hij dat hij na het inslapen niet meer wakker hoefde te worden. Hij was dood geweest en de dood bleef hem roepen.

Zo trokken zeven jaren aan zijn raam voorbij en de nieuwe lente diende zich aan. Gideon zat in zijn flat en keek uit over het IJ. Het was een prachtige avond die riep om een wandeling. Ondanks de kwijnende vermoeidheid verliet hij zijn etage, op naar buiten. Achter het Centraal Station dreef de veerpont. Hij zou naar Amsterdam-Noord gaan en via de Nieuwendammerdijk naar Schellingwoude lopen en via de brug terug naar de stad. Het was heel rustig toen de pont vertrok. Een man en een vrouw stonden bij de reling en hadden slechts oog voor elkaar. De wind streek door Gideons haren en maakte hem verdrietig, deed hem aan Ralph denken. Een fluistering, een lach klonk van boven. Aan het stuur van de boot stond een jongen wiens ogen in het duister schitterden. Gideon besteeg de trap, maar er stond niemand aan het roer. In een hoek lag de bestuurder, een vijftiger met een baard, zacht te snurken. Gideon legde zijn handen op het stuur van de boot en keek naar buiten. Uit het open raam klonken de stemmen van de twee andere passagiers: ‘Ik zweer het je, ik haalde alleen een vuiltje uit haar oog.’

‘Met je tong zeker, smeerlap.’

‘Maar liefje... ‘

Gideon moest zachtjes lachen.



Aanmelden
Gebruikersnaam

Wachtwoord

U kan hier gratis een account aanmaken.

 


Page created in 0,014632 seconds.