Welkom bij Fandata
 Aanmelden  
zaterdag 15 augustus 2020 
Online databases
· Fandata online
· Online boeken
· Linken
· Downloads
· Kunst

Allerlei
· Zoeken

Kunstgallerij
Boris Valejo
Boris Valejo
 

Taalselectie
Selecteer interface taal:
EngelsNederlands

Boeken online

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Ter beschikking gestelde titels Alle online te lezen titels

Richard Meijer

XII Hout en Ivoor


Elderan was een stadje aan de groengrijze zoetwaterzee. Het was geen grote stad, maar veel bloeiender en welvarender dan de andere steden aan de zee, hetgeen te danken was aan de handel met de landen aan de overkant. De boten die van ginds kwamen losten in Elderan hun goederen en namen nieuwe koopwaar in, waarmee zij de zoetwaterzee opnieuw overstaken. De koning, wiens paleis honderden mijlen landinwaarts lag, had het bospad van zijn stad naar Elderan laten verbreden en verharden, dwars door het groene woud dat het grootste deel van zijn land besloeg. Hij was jaloers op Elderan, de schone en welvarende stad aan de andere kant van het woud, de stad die zoveel mooier dan zijn paleisstad was. De rijke stad waar de koning keer op keer gezanten heen stuurde om de lading van de boten die de haven aandeden te keuren. De mooiste, leukste en meest merkwaardige spullen werden voor de koning ingekocht en eens in de zoveel maanden bracht een grote karavaan zijde, bont, juwelen, snuisterijen en uitgelezen spijzen en specerijen naar de paleisstad. Ook andere karavanen ondernamen de tocht, maar altijd waren de karavanen groot en goed beveiligd. Want een mijl buiten Elderan begon het grote woud dat meer dan honderd mijlen lang en breed was. Men was bang voor rovers en wilde dieren, maar los van deze vreesde men de Koning van het Woud.

Heel zacht fluisterden de bewoners van Elderan en het woud van Zijn bestaan, opdat de gezanten van de koning van achter het woud het niet konden horen. Deze koning hield namelijk niet van die praat. Hij hield er helemaal niet van, sterker nog, hij verafschuwde het en trad streng tegen de lasteraars op. Er was maar één koning en dat was hij.

Toch wist de koning wel beter. Ook hij had gehoord over de Koning van het Woud: een Koning die geen mens was en beschikte over wonderbaarlijke krachten.

Om te bewijzen dat hij de enige koning was, had de vorst het bospad naar Elderan laten verbreden tot een weg. Tijdens de werkzaamheden waren vele werkers bang geworden en gevlucht. Anderen waren 's nachts verdwenen en nooit teruggevonden. De koning had voorgesteld om grote delen van het woud te kappen, maar dit werd sterk afgeraden door de hofmagiër en de ministers. Ze wezen op oude, onleesbare verdragen, waarin zou staan dat het woud met rust gelaten diende worden. De koning had het niet aangedurfd, want de buurlanden beschouwden het woud eveneens als een heilig woud. En dan kon kappen toch wel problemen met zich meebrengen. Zo gedijde het woud in rust en harmonie, zelden gestoord door mensen.

In een buitenwijk van Elderan woonde Quirian de houtsnijder. Quirian was een jongeman van tweeëntwintig. Hij was middelgroot en had kastanjebruin haar dat alle kanten op sprong. Hij was niet echt mooi, maar had iets heel vriendelijks in zijn gezicht. Zijn blauwe ogen stonden wijd uit elkaar, ver van zijn lange neus. Maar op zo'n manier dat hij uitnodigend scheel leek te kijken zonder daadwerkelijk te loensen. Met het uitbundige haar, dat alle kanten uit waaierde, verkreeg Quirian een heel eigen charme.

Naast hem woonde Peer, die eveneens hout bewerkte. Peer was twee koppen kleiner dan Quirian. Hij had een smal en mooi gezicht met ogen die voortdurend heen en weer flitsten. Peer was eveneens in de twintig, maar kaalheid had bij hem reeds de eerste harentol geëist, hetgeen Peer een hoog en geleerd voorhoofd bezorgd had.

Peer was, in tegenstelling tot Quirian, een fervent vrouwenverleider en menig meisje van de stad had zijn huisje al bezocht.

Quirian wachtte reeds jaren op de ware liefde. De ware, bij wie hij wegdroomde tijdens het houtsnijden, tot hij zichzelf in zijn duim sneed. Overdag ging Quirian aan de rand van het bos zitten en staarde naar de hemel. Hij begon dan de mooiste dromen te dromen, die hij vervolgens stuk voor stuk in zijn hoofd borg. In de namiddag keerde hij terug naar zijn werkplaats, haalde het gereedschap uit de gordel die hij altijd droeg en begon zijn dromen in hout vast te leggen. Dan kwamen de mussen aangevlogen om te kijken wat hij maakte en gaven tjilpend commentaar. Quirian sneed de mooiste taferelen in houten planken en vormde brokken hout tot de lieflijkste beeldjes. Zijn houtsnijwerk was zo echt, zo mooi, dat het elk moment tot leven kon komen. Sommige buren bezwoeren de voorbijgangers dat er kleine houten hertjes voorbijhuppelden om 's nachts in het woud met hun verwanten van vlees en bloed te spelen. In de ochtend kwamen ze dan weer terug in de werkplaats van de houtsnijder tot hij hen aan iemand zou verkopen. Quirian lachte om deze verhalen en verzekerde de kopers dat het doodgewone beeldjes waren en dat nog nooit iemand was komen klagen dat een gekocht beeldje weggelopen was.

Peer was heel anders dan Quirian. Hij was gemelijk en vrekkig en droomde nooit. Peer maakte geen mooie dingen: zijn werk was meestal rommelig en onaf. De mensen van Elderan kochten dan ook liever bij Quirian dan bij diens buurman. Alleen in de haven, waar vreemdelingen kwamen die geen weet van Quirians werk hadden, kon Peer nog wel eens iets van zijn werk slijten. Hij was stikjaloers op zijn begaafde buurman. Kon hij maar zulke mooie dingen maken, dan zou hij snel rijk zijn en uit Elderan vertrekken. Peer haatte zijn dromerige buurman en diens kunstwerkjes. Hij maakte Quirian bij elke gelegenheid zwart: deze zou zijn ziel aan demonen verkocht hebben in ruil voor zijn vaardigheid. Zulke kunst was toch onmenselijk? Sommige mensen kochten inderdaad niet meer bij Quirian, uit angst dat het werk vervloekt was.

Quirian had geen weet van deze zaken; Peer was immers altijd vriendelijk tegen hem en vroeg vaak of Quirian hem de fijne kneepjes van het vak wilde bijbrengen. Zo goed en kwaad als het kon probeerde Quirian Peer de ware houtsnijkunst te leren, hetgeen echter niet lukte. Want Peer was lui en slordig en hield zich liever bezig met brassen en vrouwen verleiden.

Zo leefden de twee houtsnijders naast elkaar. Quirian dromend en werkend in de namiddag en avond, Peer pierewaaiend en kwade plannen smedend.

Op een mooie dag ging Quirian het grote groene woud in. Als een van de weinigen was hij niet bang voor rovers of vreemde bewoners. Integendeel, Quirian voelde zich altijd bijzonder op zijn gemak in het woud, waar het stil was, op het kraken van de takken, het ritselen van bladeren en dieren na. Hier waren de dieren niet schuw; zij zagen immers nooit mensen waardoor zij niet wisten dat ze bang voor hen moesten zijn. Zo was het woud een lieflijk oord van zoete geuren en de mooiste kleuren gebleven.

Die bewuste dag was Quirian op zoek gegaan naar een mooi stuk hout. Afgelopen nacht had hij immers die prachtige droom gehad over berkebomen, die in het licht van de maan en sterren met elkaar praatten. En Quirian had naar hun geheime verhalen mogen luisteren. De houthakker was vergeten wat de bomen aan elkaar verteld hadden. Het enige dat hij zich uit zijn droom had kunnen herinneren was een zilverberk die gefluisterd had, de bewaarster van de mooiste en ontroerendste verhalen die hij ooit gehoord had en meteen vergeten was. Als hij vandaag het juiste hout zou vinden, zou hij zijn droom misschien kunnen vangen. Wie weet kwamen de verhalen dan ook terug. Op zoek naar een zilverberk dus. Quirian had zijn bijl en zaag meegenomen. Het was één van de weinige keren dat hij dit deed. Eigenlijk hield hij niet van bomen kappen, dan voelde hij zich een beetje een beul in plaats van een houtsnijder. Gewoonlijk haalde Quirian zijn hout uit bomen die ontworteld waren, bomen die stervende of dood waren, zodat de houthakker geen leven hoefde te nemen. En er waren genoeg ontwortelde bomen in het woud, waar zelden mensen kwamen.

Die dag ging Quirian steeds dieper het woud in, op zoek naar de zilverberk uit zijn dromen. In de middag kwam hij bij een plek waar tussen grote eiken de ene boom stond. Toen hij haar zag, voelde Quirian het direct: dit was de boom. Hij spuwde in zijn handen en vatte vervolgens de steel van zijn bijl.

'Quirian, moordenaar!' riep een stem. Hij aarzelde. Ach, dat was toch onzin? De houthakkers van de stad kapten vaak genoeg bomen aan de rand van het woud. Hij keek weer naar zijn zilverberk. Wat was ze mooi. Eigenlijk was het een zonde om haar te kappen.

'Onzin,' herhaalde Quirian en sloeg zijn bijl in de zilverwitte stam. Een kreet snerpte tussen de bomen door en Quirian sprong achteruit. De berk sidderde en trilde en uit de wonde, langs het staal van de bijl, stroomde zilver bloed. Quirian gaf een gil en rende weg. Hij rende en rende en toen hij bijna bij de bosrand was stopte hij. Zijn hart bonkte van vermoeidheid en schrik terwijl hij tegen een boomstam leunde om even bij te komen. Het was tovenarij! Bomen konden niet gillen. Maar... zijn bijl! Hij had de bijl in de boom laten steken. Nu moest hij terug. Ach, hij kon het ding toch achterlaten? Maar dat was wel heel erg zonde, de bijl van zijn vader: 'De beste bijl van de stad.'

Quirian verzamelde alle moed en ging schoorvoetend in de richting waar hij vandaan kwam. Hij had gedagdroomd, hij had de gil gedroomd, net als dat zilveren bloed. Hij moest niet dwaas doen en gewoon teruggaan. Was hij hier vandaan gekomen? Ja toch? Of niet? De zon scheen door de gaten in het bladerdak. Steeds lager, steeds zachter geel schemerde het licht.

Hij moest voortmaken, met donker kon hij de weg naar Elderan wel vergeten en de nacht hier doorbrengen, huu.

'Help!'

Een vrouwenstem.

'Help!'

Toch tovenarij? Wie durfde zo diep het bos in te gaan? Aarzelend ging hij richting stem. Op een open plek, tussen grote bomen, lag een meisje. Ze had bruin haar en groene ogen in een gezicht vol met sproeten. Ze keek Quirian smekend aan.

'Help me alsjeblieft,' fluisterde ze. Beide handen waren om haar zijde geklemd. Rood bloed sijpelde tussen haar vingers door. Quirian bedacht zich niet, knielde naast haar en scheurde een reep van zijn hemd.

'Rustig maar, alles komt goed,' mompelde hij terwijl hij haar handen voorzichtig van haar zijde haalde. Het was een gemene vleeswond die behoorlijk bloedde. Quirian haalde de waterfles uit zijn ransel en waste de wond. Daarna verbond hij deze zo goed en kwaad hij kon, waarop het bloeden stopte.

'Je moet mee naar de heelmeester, anders gaat de wond zweren.'

Ze keek hem angstig aan:'Doet een heelmeester pijn?'

'Nee hoor, hij maakt je juist beter. Kun je lopen?'

Ze knikte dapper, probeerde overeind te komen, maar zakte in elkaar.

'Dan zal ik je dragen.'

Zo gingen ze in de richting van de dalende zon, naar Elderan. Op de open plek lag de bijl, vergeten en verlaten.

Het meisje heette Eleonoor. Met het donker hadden ze Elderan bereikt en waren meteen naar de heelmeester gegaan. Hij had de vleeswond opnieuw schoongemaakt en met repen stof, die in genezende kruidenpapjes gedoopt waren, verbonden.

'Met een paar weken rust zal alles wel goed komen. Dat is dan drie daalders.'

'Heb je geld?' had Quirian aan het meisje gevraagd. Zij had hem angstig aangekeken en het hoofd geschud.

'Heb je ouders, familie in de stad, of... een man?'

Weer had het meisje geschud.

'Welnu, dan moet je maar bij mij logeren.' Quirian had de geneesheer betaald, en Eleonoor mee naar zijn huis genomen. Hij legde het meisje in zijn bed en maakte voor zichzelf een plaatsje bij de haard vrij. Ze was te moe geweest om te protesteren en was als een blok in slaap gevallen, om pas na de volgende ochtend te ontwaken. In de middag sprong ze uit bed en liep stralend Quirians werkplaats binnen.

'Héhé, je bent zwaargewond, je moet in bed blijven.'

'Nee, ik heb geen pijn meer en er is niets meer te zien. Kijk maar.'

Quirian keek verlegen naar de grond.

'Toe nou.' Hij keek heel even op en inderdaad, haar zijde was gaaf, zonder een spoor van de diepe wond. Hoe kon dat nou?

'Jij hebt mij gered, dus nu behoor ik jou toe.' Ze had hem omhelsd en met kussen overstelpt. Nog verlegener had Quirian zich uit haar omarming losgemaakt: 'Toe, je bent gewoon van jezelf hoor.'

Ze keek hem verbijsterd aan en barstte in snikken uit.

'Je houdt niet van me.'

'Eh nee, jawel, tja, dat is te zeggen... ,' stamelde de houtsnijder, waarop het meisje nog harder begon te huilen. Zo hard dat Quirian zijn hart voelde breken onder de tranen. Hij was in het bos al stapelverliefd op haar geworden, maar hij was te verlegen om dat te bekennen.

'Kom nu toch, kom nu toch,' suste Quirian en nam haar in zijn armen, 'je mag zo lang blijven als je wilt, maar huil toch niet.'

'Je houdt niet van me,' stamelde ze tussen haar snikken door.

'Jawel, ik hou wel van je.'

Ze keek op en glimlachte door de tranen heen: 'Echtwaar?'

'Echtwaar,' mompelde Quirian, terwijl hij zijn wangen voelde gloeien. Toen pakte ze zijn hoofd tussen haar handen, ze gaf hem een kus en hij kuste terug. Wel een uur lang, misschien wel langer duurde die kus en de mussen van de werkplaats tsjilpten van plezier.

Ze heette Eleonoor en wist niet hoe oud ze was. Ze had geen familie of vrienden en had altijd in het woud gewoond. Dat was heel vreemd, want wie woonde er nu al altijd in het woud?

Maar Quirian vond niets vreemd aan alle vreemde dingen rond Eleonoor. Niet dat ze in een nacht genezen was, niet dat ze gewond in het bos had gelegen of dat ze daar alleen woonde. Nee niets was er vreemd voor Quirian. Alles aan Eleonoor was immers leuk en mooi en heerlijk. Quirian was nog nooit verliefd geweest en was altijd benieuwd geweest hoe dat zou zijn. En nu was Eleonoor gekomen, Eleonoor, die zo ongetwijfeld de ware was, want niemand anders kon dat immers zijn? Zij was het, dat voelde hij aan elke opspringende haar op zijn hoofd, aan zijn botten en aan zijn buik die continu heerlijk pijn deed als hij haar zag of aan haar dacht. Quirian was zo verliefd dat hij er niet van kon slapen, zo verliefd dat het pijn deed. 's Nachts keek hij naar haar gezicht en in de ochtend telde hij de sproeten op haar wangen. Als Eleonoor haar ogen opsloeg, kuste Quirian haar en bracht thee en ontbijt op bed. Pas daarna ging hij naar zijn werkplaats om beeldjes te maken die op haar leken, maar nooit haar schoonheid zouden kunnen vangen.

Drie dagen nadat ze elkaar in het woud ontmoet hadden trouwden ze. Daarna leefden ze gelukkig in Quirians huisje, samen met de mussen op de werkplaats.

'Je moet eens met ivoor gaan werken. Het is zoveel makkelijker te vormen en er is goed geld mee te verdienen.'

'Ivoor? Wat is dat?'

'Het komt van overzee. Het zou uit slagtanden van reusachtige wilde dieren komen en iedereen is er wildenthousiast over.' Peer keek zijn buurman met een schuin oog aan. Hij had al een poging gedaan om ivoor te bewerken, maar de poging was op een fiasco uitgelopen. Als hij zijn buurman zover zou krijgen zou Peer de enige houtsnijder zijn, wat hem zonder meer geld zou opleveren.

'Waar is dat ivoor te koop?'

'In de haven bij de grote schepen. Je moet snel zijn, want het is zo uitverkocht.'

'Ik zal eens een kijkje wagen, bedankt voor de tip, Peer.' Quirian verliet zijn werkplaats en wandelde richting haven.

Peer keek zijn buurman na tot deze de hoek van de straat omgeslagen was. Hoe hij Quirian wel niet verwenste: zijn buurman was niet alleen begaafd, maar ook nog eens getrouwd met een prachtig mooie vrouw. Zij was uit beter hout gesneden dan de vrouwen die hij uit de kroegen kende. Peer keek naar het huisje achter de werkplaats. Het was zeker een half uur lopen naar de haven, dus het zou minstens anderhalf uur duren eer Quirian terug zou keren. De buurman grijnsde en liep naar de deur van het huis van Quirian en Eleonoor. Peer klopte aan.

'Wie is daar?'

'Het is Peer, de buurman, lief kind,' kraaide de houtsnijder flemend. De deur zwaaide open en Eleonoor verscheen in de opening: 'Dag Peer, wat is er van je dienst?'

Eleonoor mocht haar buurman niet. Haar liefste kon honderd maal herhalen dat Peer een prima kerel was, Eleonoor bleef er ten stelligste van overtuigd dat hij niet deugde. Het was te zien aan zijn steels heen en weer schietende ogen, aan het schuifelende lopen en aan de fladderende handen die altijd 'per ongeluk' grabbelden en graaiden. Achter zijn knappe gezichtje ging een doortrapte viezerik schuil.

'Lieve Eleonoor, zou ik misschien Quirians boek over de kunst van houtsnijden mogen lenen? Ik vroeg het hem onlangs en hij gaf zijn toestemming.'

Eleonoor aarzelde. Tja, als Quirian het goed vond...

'Ik zal het pakken.' Eleonoor ging naar binnen, Peer volgde haar en deed de woonkamerdeur achter zich op slot.

'Het staat in de kast, even kijken.'

'Kijk maar, kind,' antwoordde Peer en greep Eleonoor bij haar middel. 'Geef de buurman eens een kusje, lief kind.'

'Laat mij los!'

Peer grinnikte, want hij hield wel van gespartel: 'Kom kom, ben ik dan zo lelijk? Nee toch?'

Hij tuitte zijn lippen en gniffelde.

Zijn gegrinnik stikte in twee handen die als een klem om zijn keel sloten. Verbijsterd keek hij naar zijn buurvrouw en schrok van haar ogen. Eleonoor hield hem bij zijn hals en til-de hem als een speelpop op. Peer liep blauw aan en trappelde panisch met zijn voetjes in de lucht om los te komen. De hand van Quirians vrouw bezat echter meer kracht dan hij ooit be-zitten zou: 'Probeer nogmaals dit huis te betreden en ik zal je doden. Probeer nog eenmaal mijn echtgenoot te verleiden en ik zal je doden. Jij bent een lasteraar, een prutser en een stiekemerd. Laat mij jou nog eenmaal op ons erf bespeuren en ik zal je doden!'

Eleonoor liet haar buurman los en Peer viel op de grond,

krabbelde in paniek overeind en maakte zich uit de voeten. Achter hem klonk: 'Vergeet het niet, ik spaarde je slechts ditmaal!'

Peer sloot zich op in zijn huis en vergrendelde alle deu-ren en ramen. Pas na een uur stopte het trillen, maar de angst bleef in zijn hart kolken. Hij was doodsbang. Niet alleen door de verbijsterende kracht van Eleonoor, nee, veel meer nog door de gloed in haar ogen. Daarin had hij de dood gezien.

Nog een uur later keerde Quirian terug uit de haven: 'Peer, ben je thuis?' Het bleef stil. 'Peer, ik heb ivoor ge-kocht. Volgens mij kan er inderdaad iets moois uit gesneden worden.'

'Ga weg,' klonk zijn buurmans stem gesmoord.

'Maar Peer...'

'Ga! Ik wil je nu en nooit niet meer spreken!'

'Al goed, al goed,' mompelde Quirian niet begrijpend en liep naar zijn werkplaats. Hij zette het stuk ivoor vast en maakte het voor bewerking klaar. Het zachte been liet zich redelijk bewerken en toen de avond viel had de Beenvormer een beeldje van zijn vrouw voltooid. Tenminste, het leek enigszins op Eleonoor. De mussen hadden toegekeken, onrustig heen en weer gehipt en zich van commentaar onthouden.

Met het beeldje ging hij naar binnen. Eleonoor was reeds druk doende met het koken van het avondmaal.

'Kijk liefste, dit is voor jou.'

Zijn geliefde draaide zich om, glimlachte naar Quirian, zag het beeld en sperde haar ogen wijdopen. Zijn gade snoof en stak haar handen afwerend van hem af: 'Weg daarmee, weg van de dood! Een dier werd gedood en het lijk brengt rampspoed. Snel, doe het weg, het is onheil.'

'Maar liefste.'

Ze keek hem smekend aan:'Toe nou, voor mij, Quirian?'

'Tja, als dat is wat je wenst.' Hij zuchtte en nam het beeldje mee naar buiten. Wat raar. Hoewel, er was natuurlijk voor gedood. Quirian gooide al het ivoor bij het vuil en ging weer naar binnen. Eleonoor stond huilend in de keuken. 'Breng het nooit meer in dit huis, het is niet goed.' Quirian nam zijn vrouw in zijn armen en beloofde haar plechtig nooit meer ivoor te zullen kopen.

De weken verstreken en Peer liet zich niet meer zien. Quirian had Eleonoor nog gevraagd of ze wist wat er met hem aan de hand was. Zijn geliefde had slechts haar schouders opgehaald en vervolgens gezwegen. Quirian legde zich toe op zijn houtsnijwerk en het leek wel of zijn beeldjes met de dag mooier werden. Zo maakte hij een vogeltje dat elk moment leek weg te kunnen vliegen. De mussen tsjilpten opgewonden tegen hun houten soortgenoot. Het beeldje bewoog natuurlijk niet en na enige tijd lieten ze het voor wat het was. Quirian nam de houten vogel mee naar binnen en toonde deze aan Eleonoor: 'Wat vind jij ervan?'

Zijn vrouw glimlachte: 'Het zou zo weg kunnen vliegen, niet?' Ze nam het uit Quirians handen, bewonderde het en blies over het houten kopje. De vogel keek om zich heen en fladderde omhoog: 'Ach Vogelland,' tjilpte het houten beeld, 'ach Vogelland, waarom moest je toch vergaan? Waarom?'

'Treur niet, kleintje,' suste Eleonoor, 'ooit zal Vogelland herrijzen, ooit zal de Koning komen.'

De vogel liet zich troosten en vloog een rondje door de kamer. Het beeldje streek neer op de schouw en begon zijn houten veren te schikken. Na enkele minuten verstarde de vogel en werd weer van hout.

Quirians mond was van verbazing open gevallen.

'Dat... dat kan niet... dat is magerij.' Met bange ogen keek hij naar zijn vrouw: 'Ben jij een heks?'

Eleonoor schudde en gaf hem een kus: 'Welnee, mijn lief. Ik ben uit het woud gekomen en ben verwant aan de bomen en hun hout. Ik deed dit voor jou.'

'Maar, het kan niet, zoiets is immers demonenwerk?'

'Nee, liefste, geen demon die hiermee van doen heeft.'

'Maar, wat is dat Vogelland? Waar sprak het beeld van?' Zijn vrouw keek naar het vogeltje en glimlachte opnieuw:

'Vogelland maakt deel uit van een verhaal dat nog gebeuren moet, maar dat wist zij niet.'

'Maar... '

Tja, wat maar? Quirian wist niets meer te zeggen of te vragen en hield zijn mond. Eigenlijk zou hij bang moeten zijn voor Eleonoor, maar dat was onmogelijk. Dat was veel vreemder dan alle tovenarij van de wereld bij elkaar. Het was eigenlijk niet eens zo vreemd. De houtsnijder keek naar zijn lief en zag haar ogen vrolijk glanzen. Wat was ze toch mooi.

'Je bent een bijzonder kind, dat ben je.'

Hierop kusten ze elkaar met een kus die de rest van de middag duurde.

Een jaar later ging Quirian op zoek naar Eleonoor, die naar het woud was gegaan, zoals ze wel vaker deed. Ditmaal bleef ze wel erg lang weg en dat in haar toestand. Stel je voor dat de bevalling in het woud begonnen was, zonder vroedvrouw, zonder hulp, zonder Quirian. De houtsnijder versnelde zijn pas. Waar was ze toch? Het bos was eindeloos, hij kon wel blijven zoeken. Quirian zette de handen aan zijn mond en riep haar. Geen antwoord. Waar was ze toch?

'Eleonoor!'

Van tussen de bomen kwam ze aangelopen. In haar armen droeg ze een bundel.

'Ik was zo ongerust. Maar, dat is... ' In haar armen sliep een piepklein kindje.

'Je hebt een dochter, schat. Haar naam is Itonje, want dat is een gezegende naam.'

'Itonje,' fluisterde Quirian, 'Itonje, onze dochter.' Hij nam het bundeltje over van Eleonoor en bewonderde de baby. 'Wat is ze mooi'

'De mooiste baby van de wereld durf ik te wedden.'

Gedrieën vingen ze de tocht naar Elderan aan.

Quirian was de gelukkigste man van de wereld. Elke dag ging hij met zijn dochter wandelen en pronken. Alle mensen van de wijk waren blij voor hem, want iedereen was dol op Quirian en Eleonoor. En snel werd iedereen al even dol op Itonje. 'Nog nooit was er zo'n mooi en lief kind geweest,' beweerden alle buren. Dan zwol Quirian van trots, want hij was het roerend met zijn buren eens.

Quirian ging harder werken, want hij wilde de mooiste dingen voor zijn dochtertje kopen. Hij ging zelfs met zijn beeldjes naar de haven, waar de mensen van overzee veel geld voor zijn kunstwerken over hadden. Ja, het ging Quirian voor de wind. De faam van de 'meesterhoutsnijder,' zoals hij nu genoemd werd, verspreidde zich over het land. Zelfs de koning achter het woud ving geruchten op over zijn begaafde onderdaan. De koning werd nieuwsgierig en verliet op een dag zijn paleis om de tocht naar Elderan te aanvaarden.

Quirian was druk bezig in zijn werkplaats. De mussen wilden juist goedkeurend tjilpen toen er bazuingeschal door de straat klonk. Verschrikt vlogen ze naar de dichtsbijzijndste boom en sloegen vanaf daar de nieuwkomers gade. De koning reed de open werkplaats binnen, hoog op zijn paard met achter hem een stoet van bedienden en vazallen.

'Majesteit,' stamelde Quirian, die de koning herkende van het standbeeld op het plein. Hij knielde. De koning steeg af en liep naar Quirian: 'Sta op, meester Quirian. Wij hebben gehoord van jouw meesterschap, ja, wij bezitten zelfs een kleinood van jouw hand.'

Quirian kwam overeind, maar hield zijn ogen keurig op de grond gevestigd.

'Meester Quirian, wij hebben een opdracht waar jij rijkelijk voor beloond zult worden.'

'Sire?'

'Wij wensen ons gezicht in hout gevat, opdat onze beeltenis ons paleis zal sieren. Of, nee, liever nog in Ivoor. 'Majesteit, ik werk niet met ivoor.'

'Ach, voor een meesterhoutsnijder mag dat toch geen probleem zijn?'

'Maar majesteit... '

'Geen gemaar, geen gezeur, wij willen onze gelijkenis in ivoor zien en niets anders. Wij zullen het ivoor vandaag laten bezorgen. Als je ons tevreden stemt zullen wij jou met goud overladen. Stel je ons evenwel teleur, dan zullen wij ontstemd, zeer ontstemd zijn. Dan zal jouw hoofd de plaats van onze gelijkenis innemen.' De koning draaide zich om, besteeg zijn paard en verliet Quirians werkplaats.

Toen de heerser en diens gevolg verdwenen waren, ging Quirian met gebogen hoofd terug naar zijn werkplaats. Itonje, inmiddels vier jaar oud, kwam hem tegemoet. Achter zijn dochter stond Eleonoor, met de armen over elkaar gevouwen.

'Ik heb het gehoord mijn lief. Je mag je koning niet ontstemmen, maar het is geen aardige man.'

'Sst, dat mag je niet van de koning zeggen.'

'Het is mijn koning niet, de mijne is veel aardiger,' prevelde Eleonoor, maar Quirian hoorde het niet: 'Wat moet ik nu beginnen?'

Eleonoor zuchtte: 'Laat hem zijn ivoor brengen, maak er maar een hoofd uit. Maar houd het alsjeblieft buiten het huis.' Zijn geliefde draaide zich om en verdween door de deuropening. Quirian voelde zich ellendiger dan ooit.

Later op die dag werd het ivoor gebracht.

'Over een jaar zal een gezant van de koning het beeld komen halen,' sprak de bode. Hij keerde zich om en spoedde zich in de richting van de hoofdstad.

Quirian nam het grote stuk ivoor in zijn handen. Hij zette het in een klem en ging aan de slag. Maar het wilde niet. De eerste vormen lukten nog wel, maar toen Quirian de details begon aan te brengen, leek zijn gave hem in de steek te laten. Hoe hij ook probeerde, hij kon het beeld niet tot leven brengen als het houtwerk. Dood was dood. De maanden verstreken en Quirian raakte verlamd door het keer op keer falen. Hij werkte niet langer, maar tuurde lusteloos uit het raam. De houtsnijder staarde naar buiten, naar het wisselen van de seizoenen. Net zolang tot hij niets anders meer deed.

Eleonoor maakte zich ongerust: dat verdoemde ivoor, het wist op de een of andere manier al het leven uit haar man te zuigen! Van de man op wie ze verliefd op was geworden, was slechts een schim overgebleven.

Op een dag zette zij zich over haar weerzin heen en liep naar het beeld, dat een heel vage gelijkenis met de koning achter het woud toonde. Eleonoor boog zich naar het beeld toe en blies haar bittere adem over het beeld. Hierop sloeg de ivoren gelijkenis de oogleden op en keek haar aan: 'Eleonoor, waarom wekte jij mij?'

'Jouw egoïsme bracht leed over Quirian en zijn familie.'

Het beeld glimlachte een droeve, ivoren glimlach: 'Ik kan lijken op de koning achter het woud, ik ben hem echter niet.'

'Hoogst merkwaardig, meestal imiteren de beelden de wezens van hun gelijkenis.'

'Toen jij mij aanraakte met je adem, ontwaakte ik en verlangde naar de bossen en vlakten waar ik ooit deel van uitmaakte, daar waar ik ooit leefde en gelukkig was. Ik zal het nooit meer terugzien. Maar toen ontwaarde ik de belofte van een ander woud. In mijn hoofd klonk de stem van een Koning. De Koning met een kroon van zilveren haren, met ogen als vijvers waar het water in rimpelt. De Koning met een mond zo groen als een lelieblad in de lente.'

Eleonoor werd beurtelings rood en bleek terwijl het beeld vervolgde: 'Hij droeg mij op je te vertellen dat zes jaar voorbij zijn gegaan sinds je het woud verliet. Nog één jaar en je moet terugkeren. Het woud heeft je nodig, want jij bent de eerste van je familie.'

Eleonoor fluisterde: 'Is het al zes jaar geleden sinds ik mijn geliefde vond? Maar ik kan Quirian en Itonje niet verlaten.'

'Het woud roept haar vrouwe.'Het beeld sloot de ogen, verstarde en werd de sprekende gelijkenis van de koning van achter het woud. Een laatste geschenk voor Quirian. Eleonoor huilde zacht.

'Wat is er mijn lief, waarom huil je?' Quirian stond achter haar en streelde haar.

'Ach, het is niets.' Ze pakte zijn handen stevig vast en kneep zo hard dat het pijn deed.

Toen Quirian het beeld in het oog kreeg, begreep hij dat Eleonoor geholpen had. Enerzijds was hij opgelucht. Anderzijds maakte het hem bedroefd dat haar hulp haar zo van streek had gebracht. Hij probeerde zijn vrouw met woordjes van liefde te troosten.

Toen het jaar voorbij was kwam de koninklijke gezant.

Hij keurde het beeld en was vol lof: 'De koning zal tevreden zijn. Ik ben gemachtigd om je duizend goudstukken uit te betalen. Proficiat meester Quirian. Moge vele beelden van uw hand onze steden en kastelen sieren!'

De gezant vertrok. Het was de enige vazal die de reis door het woud alleen aandurfde, buiten de maand van de karavanen. De moedige vazal keerde alleen terug, maar bereikte nooit het paleis van de koning. Nadat hij Quirian verlaten had, was hij zijn paard gaan halen in het buitenpaleis. Daar had hij een duif vooruit gestuurd om het slagen van de missie en zijn terugkeer aan te kondigen. Van de vazal werd nooit meer iets vernomen.

De heerser verviel in een woedeaanval en wilde de duizend goudstukken van Quirian terugvorderen, maar de ministers be-zwoeren hem dat dat onrechtvaardig zou zijn. De koning legde zich mokkend neer bij hun advies en sindsdien was Quirian een gefortuneerd man.

Hij besloot te stoppen met werken om zich aan zijn gezin te wijden. Een heerlijk jaar volgde. De drie maakten lange reizen door het woud. Quirian en Itonje ontmoetten voor het eerst de wonderlijke verwanten van Eleonoor. Als ze 's nachts tussen de bomen kampeerden kwamen dryaden warmte brengen, zodat er geen vuur ontstoken hoefde te worden. De elfjes kwamen, nieuwsgierig giechelend en fladderden snel weer weg. Quirian viel van de ene verbazing in de andere, maar Itonje zag slechts vele speelkameraadjes. Ze speelde verstoppertje met elfen en dryaden en stoeide met de kinderen van onder de aarde. Quirian sprak zijn dochter vermanend toe dat dat geen meisjesgedrag was, maar Eleonoor en Itonje lachten zijn vermaningen vrolijk weg, dus zuchtte de houtsnijder en haalde zijn schouders op.

Toen ze het woud verlieten huilden de kinderen van de aarde en gaven Itonje een prachtig armbandje.

'Uit onverwoestbaar goud gemaakt,' verkondigde de maker trots. Itonje straalde en beloofde plechtig de armband nooit meer af te zullen doen.

Van het woud gingen ze naar het strand bij de grote zoetwaterzee. De nixen kwamen uit de golven, grijnsden hun rijen watertanden bloot en namen de drie mee op verre tochten over het water, naar kleine eilandjes met de mooiste stranden en zelfs tot het land aan de overkant.

Maar het heerlijkste was de terugkeer naar het huis. Ze brachten de winter knus binnenshuis door en alles om hen heen werd verwarmd door geluk. Zo ging een jaar voorbij.

Quirian kwam 's middags uit zijn werkplaats. Hij had in de ochtenduren zijn gereedschap ter hand genomen om iets voor zijn dochtertje te maken. Itonje staarde hem met grote bruine ogen aan.

'Wat is er, liefje?'

'Mamma is weg.'

'Hoe bedoel je? Waar is mamma, Eleonoor, waar ben je?' Geen antwoord. Quirian verhief zijn stem: 'Eleonoor!'

Het bleef stil. Quirian doorzocht het huis, maar er was geen spoor van haar te bekennen. Was ze naar de stad gegaan? Maar dan had ze langs de werkplaats moeten komen. Boven vond hij een antwoord. In de slaapkamer lag een briefje op haar kussen: 'Mijn liefste. Vaarwel.'

Versuft staarde Quirian naar het papier. Hij wilde niet begrijpen dat ze verdwenen was.

Itonje trok aan zijn mouw. Quirian liet zich wezenloos uit de kamer leiden.

Na het verdwijnen van Eleonoor was Quirian een gebroken man. Niets kon meer een glimlach op zijn lippen doen verschijnen. Noch de mussen in de werkplaats, noch zijn dochtertje, noch de mensen uit de buurt, die zich bleven afvragen waar Eleonoor gebleven was. Hij stortte zich op zijn werk om alles te vergeten, maar Quirian verkocht niets meer. Steeds weer probeerde hij een gelijkend beeld van Eleonoor te maken in de hoop dat het zou gaan ademhalen als de vogeltjes, in de hoop dat het zou spreken, maar er gebeurde niets. De beelden begonnen waarachtig op haar te lijken, het bleven echter beelden. Er ontstonden meer en meer houten gelijkenissen van zijn geliefde, die hem bijna gek maakten van verlangen en verdriet.

Het was in die dagen dat Peer langskwam. Eleonoor was reeds maanden geleden verdwenen.

'Goedemorgen, meester Quirian.'

Quirian keek dof op: 'Peer. Hoe staan de zaken?'

Zijn buurman haalde de schouders op: 'Kon beter, kon slechter. Ik kom echter met een idee voor een partnerschap, zodat de zaken voor ons beiden voor de wind zullen gaan.'

'Ik heb geld genoeg, ik heb geen behoefte aan winst. Laat me met rust.'

'Kom kom, Quirian, denk toch aan je dochtertje, stel dat jij er morgen niet meer bent. Wat zou er dan van haar terecht moeten komen?'

Quirian aarzelde. Daar had Peer een zwakke plek te pakken. Itonje was alles wat hij had, zij maakte zijn smart draaglijk. Met het verstrijken van de maanden kon alleen zij hem enigszins opvrolijken, zo nu en dan.

'Wat had je in gedachten?'

'Ivoor! Ik heb het al jaren geleden gezegd. Sindsdien is het steeds beter gaan verkopen. Met jouw vakmanschap worden we binnen de kortste keren rijk. Ik zorg voor het ivoor, jij bewerkt het en ik verkoop het weer. Het ideale partnerschap. Wat dacht je ervan?'

Aanvankelijk weigerde Quirian, maar na aandringen gaf de houtsnijder toe. Vergeten was de belofte aan zijn vrouw, hij deed het immers voor Itonje.

Vanaf die dag ging Peer maandelijks naar de haven, waar hij grote partijen ivoor insloeg. Quirian werkte en werkte. Hij verdronk zichzelf in werk om Eleonoor uit zijn hoofd te bannen. Hij pauzeerde alleen maar om tijd met Itonje door te brengen die met de dag meer op Eleonoor begon te lijken. Maar de gelijkenis bracht geen nieuwe smart, nee, zij deed het verdriet eerder slijten. Onderwijl stroomde het geld binnen, bij Peer althans. Hij stond slechts een minimaal gedeelte van de opbrengst af aan Quirian, die echter niets in de gaten had en zich op het ivoorsnijden bleef toeleggen. Door het vele werk ontstond er zelfs een voorraad van ivoren beelden in Quirians werkplaats. Dit bracht de onverzadigbare Peer op een duivels idee.

Op een dag liep hij de werkplaats van zijn buurman binnen: 'Quirian, ik voel mij vandaag bijzonder onwel, maar ik heb vernomen dat vandaag een schip is aangemeerd met een partij ivoor van de beste kwaliteit in de buik. Zou jij voor deze ene keer naar de haven kunnen gaan?'

Quirian haalde zijn schouders op: 'Waarom niet? Het lijkt mij jaren geleden toe sinds ik de haven voor het laatst bezocht.'

Peer gaf zijn partner een beurs met geld, waarmee Quirian naar de haven toog. Op het moment dat hij uit zicht verdwenen was, sloop Peer Quirians werkplaats binnen en begon de ivoren beelden van Quirians werkplaats naar zijn eigen huis te verhuizen. Na een uur zwoegen waren alle beelden overgebracht en in Peers woning weggeborgen. Vervolgens pakte de zwetende dief een kan olie uit zijn voorraadkast en sprenkelde het grootste deel over Quirians houtvoorraad. Daarna bracht hij een oliespoor aan van de houtstapel naar Quirians huis. Toen de kan leeg was stak Peer de olie aan. De brandstof vatte razendsnel vlam, de vlam spreidde zich uit en zette Quirians huis en werkplaats in lichterlaaie.

Al het ivoor zou vernietigd lijken. Peer zou de kunstwerken in het geheim kunnen doorverkopen en zo alle winst opstrijken. Hij wreef grinnikend in zijn handen. Eindelijk genoot hij van zijn zoete wraak. Quirian had maar niet zo'n uitslover moeten zijn. Grijnzend bekeek Peer de bulderende vlammen, totdat de buren gillend toestormden: 'Brand, brand, snel, haal water!'

'Help!,' klonk vanuit de vlammenzee.

Een stem?

'Help!'

Iedereen keek naar de bovenverdieping, naar Quirians houtopslag. De vlammen weken een oogwenk en toonden de menigte een doodsbange Itonje. Daarna hernam het vuur de opslagplaats, zette Quirians dochter in lichterlaaie en deed het huis brullend ineenstorten. Peer verbleekte van afschuw en angst: dit had hij nooit gewild. Stel je voor dat iemand het gezien had. Nu was hij een kindermoordenaar.

Peer rende naar zijn huis, pakte zijn geld bijeen en vluchtte uit Elderan.

Quirian keerde uit de haven terug en trof zijn huis verast aan. Zijn buren trachtten hem te troosten, maar de houtsnijder staarde slechts naar de rokende resten van zijn huis. Wat hij na enig staren in de hete as ontwaarde, deed hem een rauwe kreet slaken: temidden van het puin lagen de botten van Itonje, met het gouden armbandje om de geblakerde resten van haar pols. Zijn buren trachtten hem tegen te houden, maar Quirian rukte zich los en stortte zich in de gloeiende as. Hij huilde en schreeuwde woest, brandde zijn handen tot blaren toe toen hij de botten van zijn dochter verzamelde en in zijn hemd koesterde. Quirian strompelde huilend tussen de mensen door, duwde troostende handen van zich af en wankelde weg, weg uit Elderan, het woud in. Dieper en dieper dwaalde hij het bos in. De nacht kwam en na vele uren zakte Quirian ineen.

'Eleonoor! Onze dochter!' hijgend, schokkend snikte Quirian en merkte niet hoe een snerpende gil de bladeren van alle bomen van het bos deed trillen. Hij begon koortsachtig in de aarde te wroeten, hij groef met zijn blote handen een graf tussen de wortels van een boom. Heel teder, heel voorzichtig liet Quirian het gebeente van zijn dochter in de aarde zakken en vulde het graf met bosgrond, tot er geen spoor meer tussen de wortels te bekennen was. Toen hij dit voltooid had, zag hij een wit stuk bot naast de boom liggen. Hij was een schouderblad vergeten. Quirian begon te schateren alsof hij de grap van zijn leven had gehoord. Hij lachte een krankzinnige lach en grinnikend nam hij het stuk bot op. Waanzin had bezit van hem genomen en de krankzinnige bekeek het bot aandachtig, nam wat gereedschap uit zijn gordel en ging aan de slag. Uit het schouderblad maakte hij een kam, legde deze in met restjes ivoor uit zijn broekzak en met melktandjes van Itonje, die hij in een buidel om zijn hals droeg. Toen hij klaar was bekeek de gek zijn kunstwerk teder en liefdevol. De vader drukte de Kam tegen zijn borst en wiegde zingend heen en weer.

Quirian bleef de nacht en de volgende dag heen en weer wiegen en slaapliedjes zingen. Hij bleef doorgaan, tot de Koning van het Woud verscheen en het voorhoofd van de houtsnijder kuste, waarop Quirian dood ineenzeeg.

Toen Quirian stierf vielen zijn armen slap langs zijn borst. De Kam rolde tevoorschijn, waarop de Koning het kleinood opraapte en het aandachtig bekeek. Maar nu rolden tranen uit zijn ogen, ze voedden het bos en deden bloemen op het graf groeien, terwijl Forantas naar het verhaal van de Kam luisterde: 'Ik speelde op de zolder van mijn vaders huis, samen met mijn vriendjes. Toen waren er vlammen en mijn vriendjes gilden en vlogen snel weg. Maar ik kon niet weg, ik kon niet van de zolder en de vlammen beten me harder en harder. Het deed zoveel pijn. Ik riep om vader en om moeder, maar ze kwamen niet. En het doet pijn, zoveel pijn.'

De Koning van het Woud streelde de benen Kam: 'Stil maar,' fluisterde hij, 'vanaf nu zul je nooit meer pijn voelen.'

En de Vorst gaf de Kam aan een dryade uit zijn gevolg, die hiermee zijn zilveren haren kamde. De haren begonnen te zingen, verhalen uit alle windstreken. De Kam vergat haar pijn en luisterde aandachtig naar de verhalen over haar moeder en de bossen; naar de verhalen over de wereld en naar de verhalen van een andere wereld.

Uiteindelijk viel de Kam in slaap. Toen de Koning merkte dat zij sliep, nam hij de Kam over en sprak deze toe: 'Elke dag zal ik je verhalen vertellen, totdat je niet meer wakker wordt, mijn kind.' Hierop keek Forantas op en richtte zich tot de kruinen boven hem: 'Eleonoor, Quirian vond vrede in de mensenslaap; Itonje werd deel van het woud, gelijk haar moeder. Ik zal hen koesteren en troosten, opdat zij zullen slapen en in hun slaap het leed zullen vergeten. Al wat ik wens is dat jij niet voor eeuwig bitter zult zijn.'

Daarna ging Koning naar het levend slot, een woud, verborgen in het woud.

Peer wiste het zweet van zijn wangen en zakte uitgeput tegen een boomstam. Al een dag en een nacht was hij onderweg om zover mogelijk van Elderan te raken. Quirians ivoor zou op den duur in zijn huis ontdekt worden en dan zou zijn snode plan doorzien zijn. De straf op kindermoord was vierendeling, maar dat zou hem niet overkomen. Hij zou naar de paleisstad gaan en zich daar onder een andere naam vestigen. Met zijn hersenen was geld verdienen immers overal mogelijk. Bovendien had hij een aardig kapitaaltje overgehouden aan de ivoorwerken van Quirian. Peer grinnikte en klopte tegen de volle buidel aan zijn zijde. Uit angst voor rovers en achtervolgers had hij de weg verlaten en zijn tocht naar de stad zo'n honderd meter rechts van de weg tussen de bomen voortgezet.

Na een half uur rusten besloot Peer weer verder te gaan; hoe eerder in de stad, des te beter. Hij maakte aanstalten om overeind te komen, maar op dat moment begon de aarde te woelen. Uit de grond kwamen taaie wortels die om zijn voeten en handen kronkelden. Ze snoerden hem tegen de boomstam. Hij gilde van schrik en angst terwijl steeds meer wortels uit de aarde verschenen. Om zijn borst, om zijn keel. Ze persten de lucht uit zijn longen. Peer zat strak vastgebonden aan de boom en werd steeds paarser. Hij hoorde een lach. Een heldere lach, die hij vaak op de werkplaats naast zijn huis gehoord had. Een stem die hem vertelde dat ze hem had moeten doden. Nu zou hij langzaam sterven. De wortels vierden een heel klein beetje, net genoeg om minimale teugjes adem toe te staan, maar te weinig om te praten of te schreeuwen. Zo bleef Peer aan de boom gesnoerd. Hij kon alles om zich heen zien en hield zijn mond wijdopen om zoveel mogelijk lucht te vangen. Zo af en toe viel er een druppel water in de open mond en soms stopte een spin, die haar web van zijn neus naar zijn schouder had geweefd, hem een vlieg toe. Peer zou niet sterven, had Eleonoor bevolen. Haar woede en verdriet waren kouder dan het koudste ijs. Zolang zij verdriet zou voelen, zolang zou Peer aan de boom geklonken blijven en gevoed worden door de boom.

Forantas hield woord. Iedere ochtend en avond werden zijn haren gekamd met de benen Kam. De Kam sluimerde dag en nacht, luisterend naar, dromend van de verhalen. Na vele dagen sliep hij voorgoed in. De herinneringen van het bot waren voorgoed getroost, verlost van pijn en wreed onrecht. Maar Forantas bleef zijn haren kammen, iedere ochtend en iedere avond. De Kam luisterde ademloos, vastbesloten nooit één van de verhalen te vergeten.

Op een dag kamde de Koning zijn haren en de Kam begon te fluisteren. Verhalen die hij zelf uit de oude verhalen had ge-maakt. Verhalen die nog moesten plaatsvinden en verhalen die zelfs de Koning nog niet kende. De Kam leefde, hij had geluisterd en begrepen dat elk verhaal hetzelfde verhaal was dat steeds op een andere manier verteld werd. In tegenstelling tot mensen, die immers nooit goed naar een verhaal luisteren, had de Kam wel keer op keer geluisterd en begrepen. Met het begrip kwamen nieuwe verhalen. Hetzelfde verhaal in alle vormen die hij maar bedenken kon. Vanaf dat moment kende de Kam het verhaal en zo alle verhalen. Alle verhalen, behalve het laatste dat verborgen bleef.

Toen de Kam begon te ruisen, had Forantas verbaasd geluisterd. Snel begreep hij en geluk kwam bij het verdriet van begrip: Itonjes dood had een talisman gebracht, één uit drie. Itonje was niet voor niets gestorven.

Onderwijl vonden belangrijke gebeurtenissen plaats, in de paleisstad achter het woud.

De koning had zijn woede vanwege het verloren gegane ivoren hoofd laten varen, maar de verhalen over de Koning van het Woud begonnen steeds meer te steken. Nooit had hij iets ondernomen en steeds vaker leek het of hij hierom door zijn dienaren uitgelachen werd: 'Een koning die zijn rijk niet beheersen kan,' echode het door de gangen van het paleis. Tot drie maal toe had hij op het punt gestaan om met een groot leger het woud te betreden. Maar driemaal had zijn hofmagiër hem hiervan weten te weerhouden: 'Herinner hoe uw vader en uw vaders vader het woud altijd respecteerden,' had hij de koning voorgehouden. 'Wie zich aan het woud vergrijpt zal dit tot aan het einde van zijn dagen betreuren.' De oude man had voor de zoveelste keer gewezen op het eerste verdrag van de eerste koning van de stad. Keer op keer had de koning zijn plannen laten varen, maar de mysterieuze verhalen over de Koning van het Woud bleven kloppen als een zweer. Nooit ver weg.

Op een koude winternacht had de hoftovenaar zijn laatste adem uitgeblazen. De vacature van paleismagiër, tevens eerste minister, was nu open en velen meldden zich. Om in aanmerking te komen moest je een hoop van toveren, astrologie en alchemie afweten en bovendien moest je door de ballotagecommissie van de twaalf ministers, priesters en legeraanvoerders, unaniem gekozen worden. De gegadigde moest dus van goede huize komen om een kans te maken.

In twee maanden tijd hadden meer dan honderd sollicitanten zich gemeld, maar iedereen was afgewezen. Of ze beheersten de magie niet in voldoende mate, of hun gezicht stond de koning niet aan (en dat was belangrijk, want een hoftovenaar werd voor het leven benoemd. De koning was niet bij machte hem af te zetten en wilde dus wel tegen een leuk, liefst mooi, gezicht aankijken), of de raad van twaalf had wel iets aan te merken. Tot op een dag een jongeman in de troonzaal verscheen. De koning schatte hem in de twintig. Erg jong voor de positie, dat wel, maar qua uiterlijk voldeed hij zeker. De jongeman had halflang blond haar en ogen als zwarte brandende kolen in een diepbleke huid. Hij was onweerstaanbaar aantrekkelijk. Toen hem gevraagd werd een proeve van zijn kunnen te geven, liet hij de vuren onder de kookpotten opvlammen, de stoelen in de zaal dansen en verhief hij zichzelf meters boven de vloer. Hierop fluisterden de priesters enthousiast, want levitatie was een van de moeilijkste magische vaardigheden. Alleen de besten onder de besten beheersten dit. Men stelde vragen over alchemie en sterrenleer en elke vraag, hoe ingewikkeld ook, werd met gemak beantwoord. Elk antwoord kon de goedkeuring van de twaalf wegdragen. Toen men uiteindelijk stemde over de geschiktheid, was iedereen het eens: de nieuwe hoftovenaar was gevonden!

De koning zat op zijn troon en bekeek de jongeman met welgevallen: 'Isriath, ik heb de eer en het genoegen je mee te delen dat jij de nieuwe hoftovenaar bent.'

Isriath glimlachte en schikte zijn mantel: 'De eer is groot, mijn vorst. Ik zal alles doen wat in mijn vermogen ligt om u naar eer en geweten te dienen.'

Zo geschiedde het dat Isriath de nieuwe hoftovenaar werd.

'Sire, ik heb begrepen dat er een koning hof houdt in het woud tussen hier en Elderan.'

'Nonsens! Bakerpraatjes! Hoe kom je erbij!'

Woest was de heerser uit zijn stoel gesprongen en wierp in zijn toorn het schaakbord omver (twee zetten voor schaakmat).

'Vergeef mij majesteit, ik herhaal slechts het gemompel van het gepeupel.'

'Wijs ze aan en ik laat hun koppen rollen!'

'Met alle genoegen, maar... ach nee, ik spreek voor mijn beurt.'

'Nee, nu wil ik het weten ook, wat, 'maar'?'

'Maar waarom niet voor eens en altijd een eind aan de geruchten maken?'

De koning begon door de schaaktoren (met uitzicht op het grote groene woud) te ijsberen: 'Reeds jaren speel ik met het idee om met een leger het woud uit te kammen. Mijn eerste raadgever raadde dit idee echter altijd weer met klem af en voorspelde dat een dergelijk leger zou verdwijnen.'

'Er is echter een andere oplossing.'

'Wat bedoel je?'

Isriath glimlachte een duistere glimlach: 'Vuur.'

'Vuur?'

'Vuur.'

Zeven dagen later stak de Oostenwind op. Honderden soldaten liepen in een rij naar de rand van het woud. Honderden mannen, elk met een brandende fakkel in de hand. Achter hen reed de koning, hoog op zijn paard. De hofmagiër reed aan de ene, de veldheer aan de andere zijde.

'Vandaag is de grote dag, vandaag zal duidelijk worden dat er maar één heerser is. Vandaag zullen alle geruchten met vuur vernietigd worden.'

De soldaten antwoordden met luid gejuich. Op een teken van de veldheer staken ze hun fakkels in de voorste bomen en de wortels en stammen sisten en trilden onder de vlammen. Het had al weken niet geregend en het droge hout vatte spoedig vlam. Maar het vuur snelde niet omhoog, het leek te aarzelen en spoedig weerklonk een zwaar onweer boven het woud. In de hemel, die zojuist nog blauw was geweest, pakten grijze wolken samen.

'Het is de Koning van het Woud,' fluisterden de soldaten onderling, 'hij zal ons verdoemen.'

'Onzin!' sneed Isriaths stem door de linie. De soldaten huiverden en kropen dicht bij elkaar.

'Mocht er een Koning in het Woud zijn, dan heeft hij zijn langste tijd gehad!' De tovenaar hief zijn staf op hetzelfde moment dat de grauwe wolken in ontelbare druppels braken. De vlammen doofden niet in de stortbui. Nee, opgejut door de tovenaar beklommen zij de boombast tot zij het bladerdak bereikten, dat vervolgens gulzig weggevreten werd.

Isriath ging de soldaten voor en vuurde zijn vlammen verder aan. De vlammen vermeerderden zich triomfantelijk in de regen; het vuur zwol aan en veranderde in een brullend monster dat voor zich uit greep en de bomen in een vernietigende omhelzing nam.

Het woud brandde dagen en nachten. Het vuur was zo hevig dat Elderan eveneens ten prooi viel aan de vlammen. Vele stedelingen hadden geprobeerd een schip te vinden en een aantal had zich weten te redden. Maar nog veel meer stedelingen waren omgekomen in de verschrikkelijke brand. Het woud en de stad daarachter werden verteerd en wat uiteindelijk restte was de grootste ashoop die de wereld ooit aanschouwd had.

De rookkolom was tot in de verste hoeken van de wereld zichtbaar geweest. Deze getuigenis van de grote ontheiliging was aan geen mens voorbij gegaan. De wind had de as naar de buurlanden gebracht en deze had met de rookkolom verteld dat het heilige woud vernietigd was door de dolle koning van achter het woud. Alle magiërs hadden ontsteld, vol afschuw en verbijstering gereageerd en de Kinderen van de Kiem hadden zo hartverscheurend geweend dat hun kreten in alle mensensteden hoorbaar waren geweest.

Toen het vuur uitgewoed was bekeek de koning de asvlakte, het nieuwe kleed van zijn rijk, met ontzetting. Dit was nooit zijn bedoeling geweest: 'Wat nu?'

'Laat ons op zoek gaan naar de resten van zijn paleis, zodat wij zullen weten dat hij voorgoed verslagen is.'

De koning, zijn tovenaar en het gevolg gaven hun paarden de sporen. Het gezelschap reed de verschroeide aarde op, maar hoe ze ook zochten, nergens waren de resten van een paleis te vinden.

De volgende dag bracht een van de soldaten nieuws: in de aarde was een geblakerd beeld gevonden dat wonderbaarlijk genoeg niet in de vlammen vergaan was. De koning liet het bij zich brengen en herkende zijn evenbeeld. Toen opende het beeld de ogen en sprak de koning toe: 'Wee u, die het woud liet verwoesten. Uw rijk en uw koningschap zijn verzuurd en voorbij.' Na die woorden versplinterde het beeld in duizenden stukken.

De koning deinsde terug:'Hekserij!' brulde hij, 'Isriath, wat heeft dit te betekenen?' Hij keek om en zocht de tovenaar, maar Isriath was verdwenen.

Eleonoor was die ochtend naar het levende slot van Forantas gekomen.

'Wat brengt je naar het paleis, Eleonoor?'

'Van achter het woud dreigt groot gevaar, gevaar zoals er nooit eerder is geweest. De koning heeft zich tot een waanzinnige strijd laten verleiden. Met zijn leger marcheert hij thans naar het woud en iedere soldaat is gewapend met een brandende fakkel.'

'Vuur? Hij wil het woud laten branden?'

'Tot de laatste boom, mijn heer.'

De Koning riep water en lucht en vroeg om grote regens. Zij gaven gehoor aan het verzoek, gingen naar de vuurrand, maar keerden wanhopig terug: 'Deze tovenaar kan vuur in water laten branden.'

Forantas' ogen vernauwden: 'Wat is de naam van deze tovenaar?'

'Isriath.'

Een siddering trok door het slot en door het woud. Hij was gekomen. Ze hadden hem niet herkend. Nu nam het gelaat van de Koning de kleur van as aan: 'We moeten ons haasten, de ander heeft de verrassing aan zijn zijde en zal daarmee de strijd in zijn voordeel keren. Roep iedereen op, alles wat zich bewegen kan, het woud te verlaten.'

Eleonoor keek met angst naar de Koning: 'En het woud?'

'Het is ten dode opgeschreven.'

Ze schudde haar hoofd: 'Dan zal ik bij de bomen blijven en hen vertroosting verlenen. Want na de dood van mijn gade en mijn dochter restte mij slechts het woud.'

Forantas probeerde Eleonoor tot meegaan te bewegen, maar zij was onvermurwbaar. De vlammen kwamen snel nabij en de Kinderen zochten hun toevlucht in het paleis van de Koning. Er was geen tijd meer, ze moesten voortmaken. Ver van de vlammen weg zijn, naar een plaats waar de krachten gebundeld konden worden en de confrontatie aangegaan kon worden. Toen alle Kinderen het slot bereikt hadden keek Forantas voor de laatste maal naar Eleonoor. In haar handen was het ivoren beeld van de waanzinnige koning en ze glimlachte spijtig naar haar Vorst. Toen gaf Forantas het bevel en zijn levende kasteel verhief zich van de aarde. Begeleid door de machteloze regen vloog het slot over de toppen van de bomen vele mijlen ver. Het vloog naar een woud in het oosten, een woud dat aan Miran grensde en in die streken eveneens bekend stond als een heilig woud.

Eleonoor deelde de pijn met haar bomen. Ze ijlde door het brandende woud en stond de bomen in hun laatste seconden bij. Toen de vlammen haar kwamen halen, veranderde ze in een zilverberk, die spoedig als een fakkel begon te branden.

De koningen en koninginnen van de buurlanden hadden van de verwoesting vernomen en geconcludeerd dat de koning krankzinnig geworden was. Alleen een gek, een dolleman zou het heiligste woud verbranden. De priesters, orakels en magiërs brachten de volgende dag een eensluidende boodschap naar de paleizen van de buurlanden: 'Tijd voor verbinding, tijd voor oorlog.'

En de landen verbonden zich. Ze trokken met hun legers het land van de koning zonder woud binnen. Zijn steden werden vernietigd, zijn paleis werd met de grond gelijk gemaakt en zijn land werd verdeeld onder de naburige vorsten. De koning zelf werd gespaard, want niemand wenste zijn handen met koningsbloed te bevlekken. Hij werd in ketenen geslagen en weggesloten in een kerker onder de puinhopen van zijn voormalige paleis.

Toen hij daarheen gevoerd werd keek hij verdwaasd om zich heen: 'Ik heb dit nooit gewild, ik... Isriath.' Op het moment dat die naam naar zijn lippen steeg, draaiden zijn ogen in het rond en een moment van inzicht scheen in het bewustzijn van de koning. 'Isriath,' herhaalde hij dof. Daarna werd hij weggevoerd.

Na de brand had Isriath het koninklijke gezelschap verlaten. Hij wandelde vrolijk door het asgebied waar hier en daar verbrande boomstompen boven de grond uitstaken. Plots stuitte Isriath op iets merkwaardigs: tegen de resten van een boomstam lag het verkoolde lichaam van een man. Isriath boog zich over de resten en tilde het lijk op. Hij hield het voor zich en bekeek het aandachtig. In zijn handen verdwenen de verkoolde brokken en maakten plaats voor vlees. Uit de zwarte botten sproten weefsel en ingewanden, het lichaam begon te groeien en enige momenten later was het stoffelijk overschot veranderd in een gespierde lange man die boven de tovenaar uittorende. Hij keek om zich heen, fronste en keek neer op de magiër: 'Wie bent u?'

'Ik ben een duivel. Wie ben jij?'

'Ik... ik was Peer, maar ik stierf in het vuur.'

'Peer, nee maar, wat een naam! Nee Peer, je leeft, maar je zult niet langer Peer heten. Vanaf nu ben jij Isidoor, mijn gesel, mijn ogen en oren in deze wereld.'

De man knikte en langzaam verspreidde een begrijpende grijns zich over zijn gezicht: 'Ik ben Isidoor, bloeddrinker en gesel.'

De duivel knikte goedkeurend en klopte de ander op de schouder. Isidoor was veel meer dan zijn ogen en oren, want Isidoor had uit Isriaths handen een fragment van het kwaad ontvangen. Een fragment van het zweet uit de eerste Rune. 'Stel me niet teleur, gesel mijn.'

Isriath werd Melchior, Melchior veranderde in een raaf die in de hemel verdween.

Isidoor keek zijn spoor een tijdje na. Daarna blikte hij om zich heen: 'Wat een bende,' mompelde de lange man en hij klopte de as uit zijn zwarte mantel. Hij keek om zich heen, dacht even na en begon zijn reis, op naar het Oosten.




Aanmelden
Gebruikersnaam

Wachtwoord

U kan hier gratis een account aanmaken.

 


Page created in 0,015587 seconds.