Welkom bij Fandata
 Aanmelden  
vrijdag 23 oktober 2020 
Online databases
· Fandata online
· Online boeken
· Linken
· Downloads
· Kunst

Allerlei
· Zoeken

Kunstgallerij
Frank Frazetta
Frank Frazetta
 

Taalselectie
Selecteer interface taal:
EngelsNederlands

Boeken online

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Ter beschikking gestelde titels Alle online te lezen titels

Richard Meijer

Nimsay


Steeds maar verder, altijd maar door. Dagen lang leek het, maar de tocht kon evengoed zojuist begonnen zijn. Elk gevoel van tijd was verdwenen, terwijl ze voortging door het grote groene woud. Dagen lang, leek het, of net op weg.

Het werd donker, maar de schemering bracht geen kou mee. Het halfduister doopte het groen en bruin van het bos in schemergrijs en nachtblauw. Het was een mooi woud. Een veilig woud, wist ze. Op de tast liep ze voort over het bospad, op zoek naar wat er achter de bomen was.

Een flauw schijnsel scheen tussen de bomen. Het werd sterker en splitste in twee dansende lichtjes die snel naderbij kwamen. Twee stralende elfjes zweefden tussen de boomstammen door en hun schijnsel deed het bospad in roze en paars oplichten. Ze kwetterden blij: 'Hoi Nimsay.'

'Falandel, Masdedan, wat leuk.'

Ze gaf de elfjes een zoen op de topjes van hun neuzen en de twee giechelden. Gedrieën volgden ze het gekozen pad, de elfjes vliegend en zij lopend. Op weg naar het land achter de bomen.

Falandel en Masdedan fladderden om haar heen en vooruit, zodat het pad zichtbaar bleef. Nimsay voelde zich gelukkig en warm. Wat een mooie wandeling. Maar wat was dat?

Tussen de bomen scheen opnieuw licht. Nu niet zacht roze en paars. Een rode gloed, veel sterker dan de elfenglans, verwelkomde haar. Nimsay begon harder te lopen. Vol verwachting holde ze in de richting van het licht, terwijl de twee elfen achter haar aan vlogen. Toen de drie het licht bereikten klonk gefladder. Het was niet het geluid van elfenvleugels, het was veel zwaarder. Geklapwiek van grote vleugels. De elfjes keken haar bang aan en maakten dat ze weg kwamen. Nimsays hart kromp ineen van angst, zoveel angst dat het pijn deed. Ze klapte dubbel van de pijn terwijl duisternis haar droom vulde.

Met een bonzend hart schrok Nimsay wakker. Ze wreef in haar ogen terwijl ze snakkend adem haalde en overeind kwam. Haar hart klopte in haar keel en Nimsay bleef diep in- en uitademen tot ze wat gekalmeerd was. Wat een nachtmerrie! Maar waarom was het zo'n nachtmerrie geweest? Het was doodeng, maar het enge was onzichtbaar gebleven. Er was nergens een vervelende reus of draak geweest die het op haar voorzien had. Ze herinnerde zich slechts een rode gloed en een fluwelen lach.

Nimsay stond op en schudde de droom van zich af. Het was ongetwijfeld het gevolg van de verwachtingen. Vanavond was het immers zover. Ze had afgelopen nacht uren wakker gelegen alvorens in te slapen en in de nachtmerrie te belanden.

Ze liep naar de badkamer, nam een douche, poetste haar tanden, kleedde zich aan en verliet haar appartement. Op naar de universiteit. Nimsay was veel te opgewonden om te ontbijten, de vlinders dansten in haar buik. Ze had de dag volgepland met colleges, werkgroepen en een theeafspraak. Zo zouden de uren sneller voorbij gaan en zou het sneller avond worden.

Met een dromerige glimlach tuurde ze over de daken van de stad. De avond was nog jong, maar het donker vulde de hemel en de sterren wierpen hun blauwe licht op de daken van de stad. Door het geknakte antennenwoud schemerde een kerkhof van schoorstenen. Het was niet koud, daar bovenop haar dak. De zon had de hele dag geschenen en de warmte was nog niet verdwenen, zodat het eerder april dan november leek. De magie van de elfde maand was echter voelbaar in de stad. Dit was de avond. Vanavond zou het gebeuren.

Nimsay was niet zomaar een meisje. Nee, ze was een heel bijzonder meisje. Haar vele vriendinnen en vrienden konden dit beamen, al wist niemand precies waarom.

'Als je je naar en verdrietig voelt, dan ga je naar Nimsay. Alles wat ze doet is luisteren, maar als je daarna weggaat dan voel je je veel beter.'

Zo had Fleur, een boezemvriendin, Nimsays bijzondere talent beschreven en iedereen was het met Fleur eens.

Enkele jaren eerder was Nimsay naar Amsterdam gekomen en met de studie psychologie begonnen. In het eerste studiejaar was ze een toevluchtsoord geworden voor verdrietigen. Nimsay merkte dat ze dat niet erg vond, integendeel zelfs. Bij het luisteren naar de problemen leek een warme behaaglijkheid zich meester van haar te maken. Of nee, het was eerder een dromerig dan een behaaglijk gevoel. Tijdens het luisteren naar de problemen gleed Nimsay weg in een roes die ze alleen van tijdens en vlak na de mooiste dromen kende. Nimsays gave was namelijk, zoals zij in het tweede studiejaar ontdekken zou, niet de gave van goed luisteren. Haar talent was een goedbewaard geheim dat zich het best door een voorbeeld laat illustreren:

Op een dag kwam Dahlia thee drinken, maar Nimsays vriendin was anders dan anders. Meestal was Dahlia een spraakwaterval waar geen woord tussen te krijgen was, maar die dag zat ze triest uit het raam te kijken en liet haar thee koud worden.

'Is er iets?' had Nimsay argeloos gevraagd, waarop een vloed van tranen volgde en Dahlia haar hart bij Nimsay uitstortte.

Eerst zat het probleem Dahlia nog ellendig te laten wezen. Toen merkte het verbaasd dat er iets ongewoons gebeurde. De aanvankelijke verbazing veranderde snel in afschuw toen het merkte dat het via de longen in een luchtkolk naar Dahlia's keel geperst werd waar het door klanken opgevangen werd en als een woordenstroom de mond van het meisje verliet. De woorden vervaagden op het moment dat ze de mond verlieten en het probleem zweefde ijl en eenzaam door de lucht. Niet voor lang echter, want op dat moment ontwaarde Dahlia's probleem de haren van Nimsay en werd er onweerstaanbaar door aangetrokken. Op het moment dat het de haren bereikte vond een dramatische verandering plaats. Het probleem was niet langer een kluwen van ervaringen, gedachten en gevoelens, wiens enig doel het vergallen van Dahlia's leven was. In de haren werd het probleem tot een ragfijne bloem, met kleuren zo fijn en van een materie zo subtiel, dat ze onzichtbaar en ontastbaar was.

De bloem, de vroegere probleem-kwelgeest van Dahlia, zuchtte nu gelukkig. Ze had vrede gevonden zonder te weten dat zoiets bestond en droomde weg in de zwartbruine haren die tot over Nimsays schouders vielen.

Slechts twee mensen waren van dit geheim op de hoogte: Nimsay en degene die het haar verteld had.

Op een mooie dag in de herfst van het tweede studiejaar ontmoette Nimsay een wonderlijk persoon over wie ze al vele verhalen gehoord had. Een vriendin had de lange man al eerder in de gangen aangewezen en verteld dat hij Wiz heette. Niemand wist waar Wiz vandaan kwam, of hoe lang hij al psychologie studeerde. Van de ene dag op de andere was hij op de universiteit verschenen en had veel opzien gebaard. Zijn merkwaardige uiterlijk maakte zijn leeftijd moeilijk te schatten; hij leek begin dertig, maar kon ook veel ouder zijn. Wiz had lang, spierwit haar dat een vierkant gezicht met diepe lijnen omgaf. Veel vreemder waren echter zijn ogen. De irissen van Wiz waren namelijk paars, een wonderlijke tint paars die tegen het lila aanzat. Ze leken constant heen en weer te dartelen en je geamuseerd te observeren.

Wiz scheen altijd aardig, opgewekt en bruisend van energie, maar de docenten zagen hem met gemengde gevoelens komen en gaan. Tijdens colleges en werkgroepen stelde hij vaak de moeilijkste vragen of maakte luchtige opmerkingen die niet echt luchtig waren, maar bij nader inzien de psychologie een tamelijk overbodige wetenschap deden lijken. Het waren vragen en opmerkingen die van meer kennis getuigden dan de gemiddelde vierdejaars student of reeds afgestudeerde psycholoog bezat. Het maakte hem inspirerend en intrigerend.

Nimsay ontmoette Wiz toen zij beiden een college over de interpretatie van dromen volgden. Ze zat naast hem in de collegebanken en vanuit haar ooghoek zag ze dat hij haar onophoudelijk aan bleef staren. Tot haar verbazing vond Nimsay zijn staren niet vervelend, maar eerder leuk en strelend. Na de les nodigde Wiz haar uit om samen wat te drinken in de kantine. Nimsay knikte, want ze was gentrigeerd door die Wiz. Wat het nu precies was? Niet zijn vreemde uiterlijk, niet het aanstekelijke charisma. Nee, het was iets anders. Iets, ja, iets magisch.

Ze zaten tegenover elkaar en Nimsay ging op in de ogen van Wiz. Nu ze beter keek bleken zijn ogen nog veel vreemder te zijn. Paarse irissen met loszwemmende deeltjes die fel oplichtten. Het waren niet zijn ogen die heen en weer schoten, het waren de irissen zelf die niet tot rust kwamen. In het centrum bestond alles uit varianten van paars. Zelfs zijn pupillen waren niet zwart, maar heel donker paars.

Nimsay en Wiz bleven elkaar een tijdje in de ogen kijken. Plots boog Wiz zich naar haar toe en met een snelle beweging plukte hij iets uit haar haar. Verbaasd deinsde Nimsay achteruit, maar Wiz had slechts aandacht voor wat hij zijn hand hield.

'Waarom zo'n boeket laten wegkwijnen?' Hij sprak zachtjes en keek haar aan.

'Wat bedoel je?'

Wiz glimlachte. Hij hief zijn hand en bracht de lege palm tot op de hoogte van Nimsays gezicht. 'Hmm, hij had wel een tikje van de molen, die Wiz'. Toen zag ze de bloem in zijn hand, met kleuren zo fijn dat je ze niet kon zien. Tenzij je er ècht naar keek. Het was de fijnste, mooiste bloem die ze ooit gezien had.

'Kijk maar naar je haren.' Wiz diepte een spiegeltje uit zijn borstzak op en hield het haar voor. Nu zag Nimsay dat er meer van deze bloemen in haar haren waren.

'Hoe kan dat?'

'Het is jouw gave, niet de mijne.'

'Maar waar komen ze vandaan?'

'Van je vrienden.'

'Hebben zij ook zulke bloemen?'

'Nee, alleen jij hebt ze en alleen jij kunt ze zien, want jij kunt echt kijken.' Wiz kwam overeind en deed de bloem in het knoopsgat van zijn rever.

'Vanaf nu mag jij mij Mirandel noemen.'Hij knikte haar vriendelijk toe, stond op en verliet de kantine.

Na die ontmoeting was Wiz spoorloos verdwenen. Hij bezocht geen colleges meer en niemand bleek te weten waar hij woonde.

Spoedig had ze begrepen wat Mirandel bedoeld had. Nu ze er op bedacht was, merkte ze hoe tijdens gesprekken soms iets ijls en vreemds uit de mond van de spreker kwam, naar haar haar toe zweefde en in een bloem veranderde.

Met verloop van tijd had Nimsay alle bloemen uit haar haar geplukt en in kransen aan elkaar gevlochten. Als mensen getroost en opgelucht bij Nimsay weggingen, vervielen ze alweer snel in piekeren en malen, om bij het volgende gesprek onbewust nieuwe bloemen aan Nimsay te schenken. Maar niemand die de mooie bloemenkransen zag. Niemand kon hun delicate vormen voelen, hun tere geuren ruiken.

Het was alweer twee jaar geleden sinds Mirandel haar de geheime bloemen getoond had. Nimsay had onderwijl de meest prachtige kransen gevlochten en naar het dak van haar flatgebouw gebracht. Ze woonde op de bovenste verdieping van een van de hogere gebouwen van de stad en het platte dak bood uitzicht over heel Amsterdam. Op het dak vlocht Nimsay de kransen in elkaar en verbond de vele schoorsteenpijpen tot het grote platte dak een onzichtbare bloementuin geworden was. De bloemen waren zo ijl en fijn dat ze ongevoelig waren voor wind, regen of zonnestralen. Al wat ze deden was mooi zijn, daar op het dak.

Op een dag wandelde Nimsay door de transparante kleurenpracht en hoorde twee heldere hoge stemmen: 'O, wat een schitterende bloemen.'

'Ach wat een pracht, wat ruiken ze heerlijk en wat zijn het er veel.'

Ze keek in de richting van het geluid en zag tot haar verbijstering twee wezentjes fladderen die ongeveer dertig centimeter hoog waren. Het leken wel teergebouwde elfjes met kleine vleugels tussen de schouderbladen. De twee ontwaarden haar ook, schrokken en putten zich meteen uit in excuses: 'Verexcuseer ons, wij wisten niet dat het uw tuin was, we hebben niets kapot gemaakt.'

'Maar wie zijn jullie, wat doen jullie hier?'

Toen ze zagen dat Nimsay niet kwaad was smolt hun angst weg en de twee fladderden van de bloemen naar Nimsay. De elfjes waren bijna identiek: even groot, kleine puntige oortjes en parmantige gezichtjes. Maar de een was roze en de ander paars. De roze nam het woord: 'Ik ben Falandel en dit is Masdedan. Wij zijn aether-elementalen.'

'Aether-elementalen?'

'Precies! Wij zijn ontstaan uit de leegte van het heelal en dwalen over de aarde. Een aantal van ons is naar de bossen en de wouden getrokken en transformeerde tot kabouter. De meesten van het kleine volkje komen van ons ras.' Falandel keek Masdedan aan: 'Dat is onze geschiedenis in een kleine notedop, niet?'

De ander knikte aarzelend: 'Zou best kunnen. Maar ik meende dat we geboren waren uit de vruchten van de eerste boom van de wereld en op de lucht ronddwarrelden en eigenlijk lucht-elementalen zijn.'

'Ja, maar dat is zo onwaarschijnlijk! Dat zou niet verklaren waarom we bosbroertjes en -zusjes hebben en waterverwanten. Nee hoor, wij zijn aether-elementalen, ik weet het bijna zeker.'

Masdedan knikte weifelend: 'Ja, zo zal het dan wel zijn, min of meer en ongeveer.'

'Maar wat doen jullie hier, hier in mijn daktuin?'

'Wij vlogen wat rond over de stad en werden opeens aangetrokken door heerlijke geuren. Toen we naar de geurenbron vlogen kwamen we bij deze bonte kleurenpracht. Deze kleuren zijn zo fijn, dat ze onze ogen strelen. Het zijn de mooiste bloemen op aarde.'

Wat wonderlijk. Naast Mirandel en zijzelf waren er dus toch meer die de bloemen konden zien. Aether-elementalen, elfjes eigenlijk, besloot Nimsay. De ene magie trok de andere aan, dat was duidelijk.

'Jullie houden blijkbaar veel van bloemen, is het niet?'

De twee knikten geestdriftig: 'Reken maar! Bloemen zijn onze lust en ons leven. en... ' Falandel kuchte bescheiden,' we wilden eigenlijk een voorstel doen, als het tenminste niet teveel gevraagd is.'

'Wat dan?'

'Zou u ons niet in dienst willen nemen als hoveniers? Wij zijn de kundigste aether-elementalen van de wereld en kunnen deze tuin vele malen mooier maken. Al wat wij in ruil vragen is uw toestemming om hier te mogen wonen.'

Nimsay kon van nature moeilijk nee zeggen en vond het een fascinerend idee. Een nog mooiere tuin? Ze was benieuwd of dat kon. Dat ze daarvoor haar daktuin met twee elementaaltjes moest delen, ach, dat was geen probleem. Het was immers nog veel leuker om de schoonheid van haar tuin te kunnen delen en dat was tot nu toe onmogelijk geweest.

Ze kreeg er geen spijt van. Wat Falandel en Masdedan met haar tuin deden ging elke verwachting te boven. Na enige weken nam de tuin het hele dak in beslag en dat was heel wat. Het dak was vele tientallen vierkante meters breed, zodat je wel een stukje rond kon wandelen. Falandel en Masdedan hadden een klein beetje magie tot hun beschikking en hiermee waren de bloemen tot een fantastisch geheel geschikt. Gaten in de weelderige bloemenpracht werden door hen aangevuld met tover: als er regen viel, was deze altijd mild en weldadig en striemende wind werd binnen de tuin tot een strelende bries. De tuin van Nimsay was een Hof van Eden geworden. Bovendien hadden Falandel en Masdedan het voor elkaar gekregen dat de tuin veel groter dan het dak leek. Zo kon Nimsay uren ronddwalen zonder het idee te krijgen in kringetjes te lopen. De paden en beekjes waren zo aangelegd dat Nimsay nooit in de buurt van de dakrand kwam. En alleen als ze niet ècht keek waren de andere daken van de stad zichtbaar. Van de schoorstenen hadden Falandel en Masdedan bloemenbomen gemaakt waar ze in sliepen en Nimsay deelde haar tuin vele avonden met de elfjes. Soms viel ze op het dak in slaap, soms bleef ze er tot de ochtendschemer waken.

Als er dakbedekkers kwamen om een lek te dichten of het dak opnieuw te teren, zagen zij de tuin niet eens. Ze liepen overal dwars doorheen zonder de bloemen te beschadigen. Toen er een nieuwe teerlaag werd aangelegd wisten Falandel en Masdedan de geur met magische trucjes zo te manipuleren dat ze geheel verdween. Aan het eind van de dag, toen de dakbedekkers naar huis gingen, keken ze elkaar verwonderd aan.

'Voel jij dat nou ook?'

'Je bedoelt dat vreemde?'

'Ja, vreemd gelukkig... vredig.'

De ander knikte aarzelend en de twee zwegen. Maar voor ze naar huis gingen reden ze langs de bloemenwinkel om voor het eerst sinds jaren rozen voor hun vrouwen te kopen.

Op een avond zat Nimsay tegen een boom en keek peinzend voor zich uit. Falandel en Masdedan plukten nieuwe bloemen uit haar haar. 'Er waren veel vrienden met problemen vandaag, Nimsay'.

Ze zuchtte: 'Inderdaad, soms...'

'Wat, 'soms..., ' lieve Nimsay?' vroegen Falandel en Masdedan in koor.

'Ach, soms zou ik al mijn vrienden en vriendinnen zo graag willen laten delen in de vrede en de schoonheid van mijn tuin. Maar zij kunnen de bloemen toch niet zien.' Ze streelde een laatste bloem uit haar haar en hield het kleinood in haar handen. 'Steeds weer maken de mensen nieuwe problemen. Nooit kunnen ze eens vrede en rust vinden. Een tuin als de onze zou ze gelukkig kunnen maken.'

'Maar dat kan wel hoor!'

Masdedan keek Falandel vragend aan. Toen klaarde zijn gezicht op.

'Natuurlijk! Als je wilt, dan regelen wij het voor je dat je vrienden en vriendinnen rust en vrede zullen vinden.'

'Maar hoe dan?' vroeg Nimsay verbaasd.

Het roze elfje deed de armen over elkaar en zette een plechtig gezicht op: 'De essentie van Lucht en onze Aether-essentie zijn van oudsher met elkaar verbonden. Al sinds het ontstaan van de planeet werken Aether en Lucht hand in hand om de andere elementen te leiden. Zo werken ook de Heren van de Elementen, de Aether-Vorst wiens naam geheim is, en de Heer van de Winden, samen. Door die oeroude verbindtenis is de Heerser van de Lucht een verre verwant van ons. Je hebt vast wel van hem gehoord, het is de aartsengel Raphaël. En zoals iedereen weet is zijn titel: 'Verzoener'. Dus als iemand zou kunnen helpen om mensen zich met zichzelf te laten verzoenen en vrede te geven, dan is hij het wel.' Falandel keek zijn metgezel aan: 'Toch?'

De ander knikte aarzelend: 'Als jij het zegt. Maar was het niet zo dat lucht aan aether ontsproot? Dan zou de engel een grote neef zijn.'

'Het één sluit het ander niet uit. In ieder geval zal onze verwant vast bereid zijn om te helpen, als wij het aardig vragen.'

'Ja, maar een aartsengel komt toch niet zomaar naar de aarde?' onderbrak Nimsay de elfjes.

Ze knikten opgewonden: 'Jawel, want wij kennen het geheime Zegel van Raphaël. Als we de tuin naar dat Patroon schikken zal hij door de magie van de tuin en de magie van zijn eigen Zegel vast en zeker komen.'

'Is zoiets niet gevaarlijk?'

'Natuurlijk niet, hij is hartstikke aardig. Laat het maar aan ons over.'

Nimsay zuchtte eens wat, keek weifelend van de een naar de ander en vroeg: 'Hoe komt het dat jullie dat Zegel kennen?'

'Ja, hoe weten we dat, hoe weten we dat? Nou, hoe weten we dat?' herhaalde Masdedan.

'Tja... hm, dat, dat weten we nu eenmaal. Dat, ja, dat is het geboortegeschenk van elke aether-elementaal.'

'Precies,' stemde de paarse elf ethousiast in, 'het is het geboortegeschenk van de grote Vorst, dat is het.'

'Ik weet niet, joh, ik vind het eng. Je moet oppassen met oproepingen enzo. Dat soort dingen loopt in de verhalen bijna altijd slecht af.'

'Hè toe, Nimsay. Dit is geen verhaal en het is ook geen oproeping. We vragen onze grote neef of hij wil komen, dat is heel iets anders en echt niet gevaarlijk.'

'Zeker weten?'

'Zeker weten.'

'Goed dan,' gaf Nimsay zich gewonnen. Ze was eerlijk gezegd ook heel nieuwsgierig. Het was weliswaar een beetje eng, maar aan de andere kant hadden de elfjes gelijk: een engel zou geen kwaad in de zin hebben.

Nu was het dan zover. Vanavond zou het gebeuren.

Terwijl ze uitkeek over de stad herinnerde Nimsay zich de tweede helft van de nachtmerrie. Voordat ze met de elfjes in het donkere bos liep waren ze ergens anders geweest. Of eerder, de twee elfen waren ergens en zij keek toe zonder dat ze erbij was. De elfen vlogen langs de snelweg richting stad. Toen was er nog iemand, of iets. Een fluistering die hen vertelde hoe het Zegel van de aartsengel eruit zag. De twee luisterden aandachtig en knikten opgewonden.

'Ja! Zo was het!' riepen ze in koor toen de fluistering weggestorven was. Nimsay had naar hen toe willen gaan, maar plotsklaps bevond ze zich in het donkere woud waar het gefladder geklonken had. Een vreemde, enge nachtmerrie.

De tuin, waar het Patroon doorheen gevlochten was, was veranderd. Het was niet meer één geheel en de koude stroomde naar binnen. Ook kon Nimsay stukken van de stad door de ontstane gaten zien opdoemen. Ze draaide zich om en liep vanaf de dakrand weer naar de tuin. Het hart van hun hof bleef wonderbaarlijk schoon.

Falandel en Masdedan kwamen aangefladderd. 'Het is voltooid, lieve Nimsay,' piepten de twee opgewonden. 'Hij kan nu ieder ogenblik komen.' Ze voelde haar hart van spanning bonken. Wat zou er gaan gebeuren? Hoe zou een aartsengel er uitzien? Wat moest ze zeggen? Nimsay werd steeds nerveuzer. Toen gebeurde het.

Eerst was het geroezemoes van de stad, ver beneden hen, vaag te horen, maar nu loste het op in de stilte. Een verwachtingsvolle stilte die gevolgd werd door een felle gloed die de hele daktuin deed fonkelen. Voor Nimsay stond een slanke jongeman in een zwarte smoking waar een rode glans op leek te rusten. Hij had golvend blond haar tot op zijn schouders en ogen als brandende kolenstenen. Het was de mooiste man die ze ooit gezien had.

'Goedenavond Nimsay. Zoals je ziet heb ik gehoor gegeven aan je roep. Wat kan ik voor je doen?'

Nimsay was sprakeloos. Ze stond oog in oog met een engel. Wat kon er op zo'n moment gezegd worden?

'Snel weg! Snel weg Nimsay! Het is Melchior! Snel weg!' Falandel en Masdedan vlogen piepend op. Geschrokken keek Nimsay van de engel naar de elfjes en zag doodsangst in hun ogen. Ze cirkelden eenmaal om haar hoofd en vlogen daarna razendsnel de hemel in. De jongeman keek hen met een fluwelen glimlach na. Zijn linker wijsvinger priemde in hun richting en Nimsay hoorde snerpende gillen. Boven het dak klonken doffe knallen en daarna zag ze hoe de brandende lichamen van Falandel en Masdedan neerdwarrelden en uit elkaar vielen. Ze gilde het uit, terwijl de tranen over haar wangen begonnen te stromen. Falandel en Masdedan, ze hadden van bloemen gehouden en waren haar liefste kameraadjes geweest. Nu waren ze dood, vermoord door hun grote neef. Ze veegde de tranen uit haar ogen en probeerde het snikken te stoppen. Nimsays keek naar de blonde man.

'Moordenaar,' fluisterde ze.

Hij knikte en glimlachte nog altijd: 'Zoals je vriendjes al riepen, mijn naam is Melchior, maar ik word ook wel 'Moordenaar' genoemd. En ach, je elfjes waren erg amusant, leuk en onderhoudend neem ik aan, maar elementalen zijn tevens erg slordig en goedgelovig. Neem dit mooie bloemenpatroon bijvoorbeeld: 'Het Zegel van Raphaël' is het zeker niet. Nee, hoor, dit Patroon heeft niets met engelen van doen, maar behoort toe aan mijn Meester, die één van de zeven hoge duivels is. Hij was echter verhinderd en stuurde zijn adjudant. En dat ben ik, om je te dienen.'

Melchior boog terwijl Nimsay haar hart voelde samenknijpen van angst. Ze was doodsbang, verlamd van angst en kon niet langer praten of bewegen. Toen Melchior zijn buiging beëindigd had sprak hij: 'Dat 'om je te dienen' was natuurlijk figuurlijk bedoeld. Eens even kijken.' Melchior krabde zijn achterhoofd: 'Ja, volgens mij heb ik aan alle regels van hoffelijkheid voldaan. Wij hogere duivels zijn daar nogal op gesteld, moet je weten. Nu kan ik je bedanken en belonen voor je uitnodiging. '

De Duivel liet zijn ogen over de tuin dwalen. Waar zijn blik ging veranderden de bloemen in horzels. Het waren honderden, nee duizenden bloemen geweest die zich nu in een horzelwolk verzamelden. De zwerm stortte zich op Nimsay, waarop een ongekende pijn haar lichaam doorvlijmde.

'Tot ziens, Nimsay, en nogmaals bedankt!' was het laatste wat ze hoorde. Daarna kwamen de beelden. Een niet aflatende stroom van leed, wrok, woede en obsessies. Alles wat ze ooit had aangehoord kwam terug en nam bezit van haar. Ze probeerde de vloedgolf tegen te houden, maar haar poging werd door het geweld van de stroom aan stukken geslagen. Nimsay werd in een eindeloze afgrond van nachtmerries en angsten gesmeten in een val die maar duurde en duurde. Ze verdronk in de beelden, verloor elk besef van tijd, ruimte en rede. Al wat restte was de gierende angst die bezit van haar genomen had en haar meesleurde in een reis die uren, dagen of eeuwen kon duren.

Een striemende regenbui geselde haar wakker. Ze was doorweekt en haar lichaam rilde van de kou. De deur stond op een kier en het licht in het trappenhuis bescheen een streep grind. Na enkele pogingen lukte het haar om overeind te komen. Het regende en onweerde. Bliksemschichten verlichtten het troosteloze dak. Haar tuin bestond niet meer. Alles was verdwenen.

In een roes wankelde Nimsay naar de deur van het trappenhuis. Ze vond de weg naar haar appartement, kroop in haar bed en viel als een blok in slaap.

Een week later durfde ze voor het eerst naar het dak te gaan. Enerzijds doodsbang voor de nachtmerries, voor de waanzin die ze daar had moeten doorstaan, anderzijds met hart en ziel naar Falandel en Masdedan, haar kleine hoveniers, verlangend. En vol verlangen naar haar tuin, naar haar paradijs. Maar daarboven was niets, slechts kaalheid, leegte en natte sneeuw. Met tranen in haar ogen draaide Nimsay zich om en verliet het dak. De deur viel achter haar in het slot.

Nimsay raakte in een depressie die een maand aanhield. Vrienden en vriendinnen wilden langskomen om haar te troosten, om te vragen wat er aan scheelde, maar ze liet niemand binnen. Ze wilde niemand zien, ze kon alleen maar huilen om wat haar was ontnomen. Verdriet dat gesterkt werd door de leegte die in haar binnenste knaagde. Sinds de tuin verloren was, waren geen nieuwe bloemen in haar haar verschenen. En Nimsay wist dat de duivel met de tuin haar magie verwoest had.

Begin januari ging Nimsay voor het eerst weer naar de universiteit, waar ze enthousiast door haar vrienden ontvangen werd. Dankbaar liet Nimsay alle aandacht over zich heenkomen, zonder iemand te vertellen wat er gebeurd was. De kerstvakantie had haar goed gedaan. Ze was naar haar ouders gegaan en door de goede zorgen thuis was ze weer een beetje de oude geworden. Nimsay voelde zich voor het eerst weer redelijk. Gedurende januari en februari krabbelde ze door de steun van haar vrienden en vriendinnen verder overeind. Langzaam maar zeker leek Nimsay weer de oude te worden.

Op een druilerige dag, de laatste dag van februari, kwam Lillie op de thee. Nimsay had juist twee kopjes ingeschonken en de koektrommel geopend, toen haar vriendin losbarstte. Dat haar laatste vriendje haar na twee weken zomaar in de steek had gelaten, dat ze ziek van mannen werd, dat de studie zo slecht ging en dat ze depressief was. Zonder acht op Nimsay te slaan ratelde en ratelde ze maar door. Nimsay hoorde niets, want met wijd opengesperde ogen zag ze uit de mond van haar vriendin een transparante horzel kruipen. Het beest was gigantisch. De insectenkop keek heen en weer. Toen zag de horzel Nimsay en begon te grijnzen. Hij spreidde zijn glazige vleugels en gonsde dreigend in haar richting. Nimsay vloog van haar stoel, deinsde terug, struikelde, viel op de grond, krabbelde overeind en rende weg.

'Nimsay, wat...' hoorde ze Lillie nog roepen.

Weg, snel weg! Achter haar kwam het gezoem snel nabij. Niet weer, dat nooit meer! Blindelings rende Nimsay weg. Naar het dak, nee, daar kan je niet weg, maar in het trappenhuis naar beneden haalt hij je in.

Instinctief koos ze voor de trap naar het dak en smeet de deur achter zich dicht. Ze duwde met haar rug tegen de deur om deze dicht te houden en keek over het grind. Het dak was net als de laatste keer, leeg en triest verlaten. Maar niet voor lang. Van opzij klonk het gegons, nu honderd keer zo sterk en Nimsay verstarde. Heel langzaam, met oneindig veel angst, draaide ze naar links. Daar zinderde de horzelzwerm. Langzaam liep Nimsay achteruit, weg van deur en zwerm.

'Voorwaar, een definitief proefje uit mijn keuken!'

De stem van Melchior klonk uit het niets. 'In je volgende leven niet meer met magie dollen, hoor.'

De zwerm stortte zich ten tweeden male op het meisje en de nachtmerrie begon zich te herhalen. Alleen, Nimsay was niet zomaar een meisje. De doorstane angsten, het geleden leed, het grote verdriet, het balde samen tot een ijzeren woede die diep in haar binnenste aanzwelde. Diep in dat binnenste, waar de bron van Nimsays verwoeste magie lag, begon het te kolken en te zieden tot het onhoudbaar was en een uitweg zocht. De woede deed de verborgen magie, de laatste kracht, ontwaken en samen vonden ze een weg naar buiten door Nimsays longen. Met één schreeuw weerstond Nimsay de monsters die haar met nachtmerries wilden doden en haar ziel vergiftigen. Eén schreeuw verstilde de zwerm boven haar hoofd. De insekten bleven besluiteloos hangen, als een duistere maar transparante wolk. Daarna begonnen ze zich te verspreiden over het dak. Nimsay keek en zag de horzels, zo ontzettend veel, onzeker een plaatsje op het dak zoeken, tot ze allemaal ergens neergestreken waren. Toen veranderden ze in vlinders. Duizenden trillende vleugels kwamen tot rust en de vlinders werden bloemen. Voor Nimsays ogen had zich een wonder voltooid: haar tuin was teruggekeerd. Wat een volmaakte schoonheid. Nu ze haar tuin zo lang had moeten missen leek deze zoveel mooier dan ooit.

'Hoi lieve Nimsay.' Falandel en Masdedan verschenen boven het dak.

'Maar, jullie waren toch dood?' De elfjes kwetterden vrolijk door elkaar: 'Nee joh, wij kunnen helemaal niet doodgaan. We moesten alleen onze vorm hervinden en daar heb je magie voor nodig.'

Nimsay moest lachen en huilen tegelijk. Haar tuin, Falandel en Masdedan! Wat had ze alles gemist. Maar het leek net of die elfengezichtjes iets treurigs hadden. Achter haar hoorde Nimsay het geluid van voetstappen. Ze draaide zich om en een man kwam op hen toegelopen. Het was Mirandel.

'Hoi, Nimsay. Je hebt hem goed te pakken gehad, voor Melchior hoef je voorlopig niet meer bang te zijn.'

'Mirandel? Waar kom jij vandaan?'

'Ik was op reis en terugkomen duurde lang. Men moet behoedzaam reizen, vandaag de dag.'

Hij keek om zich heen.

'Jammer dat je tuin opgeofferd moest worden. Alles is verloren gegaan. Een groot offer.'Mirandel slaakte een diepe zucht.

'Maar de tuin is nu toch terug?'

Triest schudde hij zijn hoofd:

'Dit is niet de tuin die jij gemaakt hebt, Nimsay. Dit is slechts jouw laatste restje magie, dat wat jou van de duivel redde.'

Nimsay keek om zich heen en zag haar bloemen verwelken.

'Nu moeten wij ook weg, maar we wilden even afscheid nemen. Dag, lieve Nimsay!' Falandel en Masdedan vlogen weg.

'Wie weet tot ziens,' echoden hun stemmen nog na.

De twee stonden op het dak. De laatste bloemen waren verdwenen en Nimsay voelde diepe verslagenheid.

'Kan magie terugkomen?'

Mirandel haalde zijn schouders op.

'Ik weet het niet.' Hij schudde zijn hoofd gelaten, niet in staat hoop of troost te bieden. Droevig nam hij afscheid en verliet het dak. Nimsay bleef alleen achter.

Bijna drie maanden gingen voorbij. De lente kwam en Nimsay zou haar studie spoedig voltooien. Soms dacht ze terug aan het gebeurde. De ervaringen hadden haar veel geleerd en volgens vele docenten en studenten zou ze zich kunnen ontwikkelen tot de meest vaardige therapeute van de vakgroep. Iedereen voorspelde haar dan ook een grootse toekomst. Maar de magie, die was niet meer teruggekomen. Tot een zachte nacht in mei aanbrak.

Nimsay droomde haar helderste droom. Een droom, nog helderder dan die ene in november. Toentertijd was de slaap vol magie en dreiging geweest, nu droomde ze van magie en droefheid: Ze dronk koffie in de kantine en boog zich over het dossier van een patiënte. Op dat moment hoorde ze de stemmen van haar klasgenoten: 'Hé, dat is Wiz, maar wat is er met hem gebeurd?'

Ze keek op en zag Mirandel voor haar tafel staan. Wat zag hij eruit: Bleek, ongeschoren, met zwarte kringen onder de ogen. En het leek alsof hij zijn kleren al weken niet gewassen had.

'Heb je even?' vroeg hij.

Ze knikte. Hij kwam tegenover haar zitten en keek schichtig om zich heen. Terwijl zijn ogen rond bleven gaan begon hij te vertellen. Over de duivel die hem achtervolgde. Dat hij gereisd had, maar hem niet van zich af had kunnen schudden. Dat hij bang was om te slapen, want dan zou die ander hem te grazen kunnen nemen. Dat al zijn geld op was en dat hij nu ten einde raad was, want nergens kon hij schuilen.

Nimsay, die anders altijd zo goed in staat was mensen te helpen, voelde zich triest en bang worden. Wat kon ze doen? Meestal hadden mensen alleen een luisterend oor nodig. Maar Mirandel niet. Wat kon zij nu nog tegen die duivel doen? Ze huiverde bij de gedachte aan hem en zweeg. Ze tuurde in haar koffiebekertje.

'Nimsay.' Ze keek op en zag in zijn ogen een lach twinkelen. Heel ver weg, maar onmiskenbaar.

'Van mij voor jou'. Mirandel boog zich voorover en kuste haar licht op de wang.

Daarna verliet hij de kantine zonder omkijken. Terwijl ze hem nastaarde streelde Nimsay door haar haar en voelde de bloem. Ze haalde hem uit haar haren. Het bleek een roos.

Nimsay ontwaakte en haar wangen waren nat van tranen. Het was zo'n droom geweest die maakt dat je onstuitbaar moet huilen, zonder dat je weet waarom. Tranen die naar verdriet en geluk smaakten. Een paarse roos. Maar het was maar een droom geweest en de teleurstelling deed pijn. Ze stond op en ging naar de badkamer.

Toen ze in de spiegel keek ontdekte ze een bloem in haar haar: de roos uit haar droom. Anders dan de bloemen van haar tuin, want iedereen kon deze roos zien. Ze was heel apart paars, van een tint die tegen het lila aan zat. En toen Nimsay de bloem beter bekeek, ontdekte ze dat de rozebladeren sprookjes waren.

Die dag telde en las Nimsay alle sprookjes die tezamen het ongelooflijkste en geheimste verhaal vertelden dat ooit verteld is. En dit is wat ze in de rozebladeren las:




Aanmelden
Gebruikersnaam

Wachtwoord

U kan hier gratis een account aanmaken.

 


Page created in 0,014670 seconds.