Welkom bij Fandata
 Aanmelden  
vrijdag 23 oktober 2020 
Online databases
· Fandata online
· Online boeken
· Linken
· Downloads
· Kunst

Allerlei
· Zoeken

Kunstgallerij
Boris Valejo
Boris Valejo
 

Taalselectie
Selecteer interface taal:
EngelsNederlands

Boeken online

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Ter beschikking gestelde titels Alle online te lezen titels

Richard Meijer

Over de rivier en de vogels


-Vogelland-

Een grauwe duisternis bevangt mijn geest

Wanneer ik naar een uitgedoofde vonk wil zoeken.

Ik zal zeggen: 'daar ben ik al geweest.'

In het land, verborgen achter vale doeken,

Waar volwassenen nooit mogen komen,

Of toch, heel soms in vergeten vleugeldromen

Van schoorsteenpijpen en antennedaken,

Om daarna met heimwee te ontwaken.

'Maar waarom heet de rivier Amstel?'

'Amstel komt van 'Amsel'. Dat is Duits en betekent

'Merel'. Dus eigenlijk heet de rivier 'Merel'.'

'Maar waarom heet de rivier 'Merel'?'

'Tja, hoe zat dat nou ook weer?'

Gijs dacht razendsnel na om een passend antwoord te vinden. Ja, het was altijd gezellig als zijn neefje een paar dagen te logeren kwam. Alleen had dat joch vaak de moeilijkste vragen en verwachtte daarop ook nog eens een passend antwoord. Wanneer je hem: 'ik heb geen idee,' als antwoord gaf, dan werden zijn ogen twee keer zo groot en blonken er tranen van teleurstelling in, iets waar Gijs al helemaal niet tegen kon. Er zat nu dan ook niets anders op dan snel een antwoord te bedenken op de vraag waarom de rivier 'Amstel' heette, anders werd het weer huilen.

Amstel, Amsel, merel, kom rivier, wat kan ik van je maken?

'Mmm... o ja, zo was het.' Gijs leunde achterover in zijn schommelstoel, glimlachte in zichzelf en begon te vertellen: 'Honderden jaren geleden stroomde de rivier al door het land. Omdat er toentertijd nog maar weinig mensen woonden, konden de dieren van het land ongestoord langs het water leven. Het krioelde daar dan ook van de beesten: herten, eekhoorntjes, bevers, die dammen in de rivier bouwden, en ratten die die dammen weer stuk knaagden. Vossen, die weer ratten oppeuzelden en egels, die zomaar wat rondliepen. Al met al was het langs de oevers van de rivier een drukte van jewelste.

Ergens langs de Amstel, die toen nog geen Amstel heette, was een gebied dat 'Vogelland' genoemd werd. Het was een land vol bomen met daartussen stukjes gras, die soms afgewisseld werden door varens. Vogelland dankte zijn naam aan het feit dat er in het bos aan de rivier enorme vogelkolonies samenkwamen. Op één stuk waren de bomen dood en kaal, daar woonden de reigers, die alles om zich heen verzuurden. Wat verderop had je Ravenburcht. Ravenburcht was een kilometer lang en breed ongeveer, en middenin de burcht stond een enorm oude eik. Daarin woonden de zeven oudste raven, die tevens de bestuurders van Vogelland waren. Raven zijn immers de meest wijze van alle vogels. Aan Ravenburcht grensde Arendhorst. Daar verbleven de grote vogels op stenen en in bomen. Zij beschermden Vogelland tegen indringers. Samen met hun kleine neven: de sperwer, de valk, en de uilen die 'nachts waakten. Vogelland kende één ijzeren wet: alle vogels zouden hier naast elkaar kunnen leven zonder elkaar te bedreigen of te verslinden. Zo hoefden de roodborstjes binnen het rijk niet bang te zijn voor de grauwe kiekendief en de nachtegalen konden zich ongestoord aan hun composities wijden. Buiten Vogelland gold de wet uiteraard niet, maar binnen de grenzen van het rijk hielden alle vogels zich aan de wet.

In Vogelland was een klein domein waar de wilgen naar de rivier negen en tussen de bomen groen gras wiegde. Waar in de lente bonte bloemen temidden van de grashalmen opschoten en fluisterden wat iedereen wist: hier was de Merelhoeve. Hun domein was niet groot, je kon er in tien minuten doorheen lopen (als je er had kunnen komen zonder dat de grote arenden je aan flarden scheurden), maar de Merelhoeve was het lieflijkste gebied van Vogelland. Dat kwam door de aard van de vogels die er woonden: Iedereen was dol op de merels. Ze waren niet mooi als de paradijsvogel, ze zongen niet prachtig als de nachtegaal, maar toch waren de merels de lievelingen van alle vogels. Vaak klopten andere vogels niet bij de wijze raven, maar juist bij de merels aan voor raad. Ja, zelfs de raven kwamen graag op Merelhoeve, want al waren de merels niet de meest wijze vogels, zij waren wel de zachtmoedigste van alle vogels die het land bewoonden.

Kijk maar naar het verhaal van de eenden. Bij het ontstaan van Vogelland waren ze te laat gearriveerd. Er was geen plaats meer en ze zouden niet vertegenwoordigd zijn in het land. Toen dit bekend raakte hadden de merels gelijk hun hoeve opengesteld: de eenden mochten bij hen logeren tot er een oplossing was bedacht. De Merelhoeve raakte overvol, maar het ging. De vogels wisselden ditjes en datjes met elkaar uit en ondanks de drukte leefden ze prima samen.

Op een dag gebeurde echter het volgende: een van de eenden gleed uit en raakte te water. De eend kon niet zwemmen en dreigde te verdrinken.

'Help me!' kwaakte de eend in doodsangst, 'help me, ik zak weg, o help me toch, snel!'

De merels waren nabij geweest en hadden de kreten van de eend vernomen. Met vereende krachten hadden zij de grote vogel bij kop en staart genomen en op het droge getrokken.

Iedereen blaasde uit en haalde opgelucht adem.

'Oppassen met water voortaan hoor! Hier reiken de diepste riviergronden tot vlakbij de oever.'

Maar de eend was geboeid geraakt door het water waar hij bijna in verdronken was. De rivier fascineerde de vogel zodanig dat hij er niet meer bij weg te slaan was. Dagen en nachten tuurde hij naar het wateroppervlak en zag noch hoorde iets om zich heen. De eend bleef bij de waterkant en kwam langzaam maar zeker nader tot de rivier. Steeds verder ging hij, eerst één pootje in het water, toen het andere. En uiteindelijk leerde de eend te zwemmen op het water.

Hij gaf de kennis van het op het water drijven aan de andere eenden door en toen alle eenden konden zwemmen verlieten ze onder veel dankbetuigingen de hoeve. Op het water dreven ze langs Vogelland. Alle bewoners van het rijk hoorden het gesnater van de eenden en keken nieuwsgierig naar de rivier. De eenden verkondigden aan alle verendragers dat de merels de beste onder de vogels waren, want in hun harten woonde naastenliefde.

Zo was het ook bij de merels. Iedereen was welkom op Merelhoeve. En als vogels om raad kwamen was het niet de raad van het verstand die gegeven werd, maar die vanuit het hart, wat minstens net zo goed was. Misschien was het wel hun goede raad, die de vogels van het rijk nog meer met elkaar verbond. Misschien was Vogelland dankzij de merels wel het land van liefde en harmonie geworden.

Maar de winter kwam en met de winter bereikte honger Vogelland. De grote vleesetende vogels moesten steeds verder langer weg uit Vogelland om te jagen en ook de andere vogels kregen meer en meer problemen met het vinden van zaden of insekten. De bevroren grond liet weinig los en vele vogels stierven in die winter. Maar niet alleen in Vogelland heerste honger, ook daarbuiten stierven vele dieren door kou en voedselgebrek. De overlevende dieren raakten steeds wanhopiger door hun vergeefse zoektochten naar voedsel en zo gebeurde het dat de meest gevreesde bewoners van de lage landen op een kwade nacht de bevroren rivier overstaken. Door wanhoop en honger gedreven schonden zij schaamteloos de wet die tot die nacht door alle dieren geëerbiedigd was. De wolven waren gekomen. Ze kwamen, door honger gedreven, over de grens die Vogelland van de wereld scheidde om de slapende vogels te verslinden.

In het duister van de maanloze nacht sprongen ze over de ijsschotsen in de rivier. De weinige uilen die niet buiten het rijk op zoek naar voedsel waren hadden geen gevaar van de waterkant verwacht en hadden de rivier onbewaakt gelaten.

Maar de merels ontwaakten uit hun verkleumde slaap en zagen de grote zwarte wolven over de schotsen naderen. De leiders van de wolvenbende zagen de merels en grijnsden hun kaken bloot. Het hongerige kwijl droop uit de wolvenmuilen toen ze de merels geluidloos besprongen. De kleine vogels waren echter sneller en ontsnapten aan hun kaken; ze konden maar één ding bedenken om slapend Vogelland te alarmeren. De merels pikten het vuur uit de ogen van de wolvenleiders. Met het smeulende vuur in hun snavels staken zij hun hoeve in brand. Snel vatten de wilgen vlam. Het vuur steeg op naar de hemel en verschroeide de vachten van de wolven. De wolven deinsden terug voor het vuur. De andere vogels ontwaakten door het gebulder van de vlammen. Temidden van het vuur klonk de laatste zang van de merels: 'Ontwaakt, ontwaakt o grote vogels! Ontwaakt, want de wolven zijn gekomen!'

De overgebleven arenden kwamen met hun kleine verwanten. De wolven waren hier niet op bedacht geweest, ze werden door de uilen en de raven verdreven. De watervogels wierpen stukken ijs op de vlammen, zodat de brand beperkt bleef tot de Merelhoeve. Maar alle merels waren in het vuur omgekomen. Hun offer had Vogelland van de wolven gered.

Daarna heerste er in Vogelland een diepe droefheid die na de komst van het Voorjaar aan bleef houden.

In de lente kwamen de leiders van Vogelland in Ravenburcht bijeen. De oude raven krasten plechtig: 'Nooit was er een vogel die meer naastenliefde bezat dan de merels van Vogelland.'

De aanwezigen knikten stil. Hier en daar klonk een onderdrukte snik uit een snavel. 'Daarom,' vervolgden de zeven raven, 'zullen zij nooit vergeten worden. Als eeuwige herinnering zal de grote rivier, waar hun hoeve ooit aan lag, naar hen vernoemd worden. Vanaf nu zal de rivier 'Merel' heten.'

Alle dieren knikten en vertelden het vervolgens voort. De merels van buiten Vogelland treurden om hun verwanten, maar zonden geen nieuwe merels naar Vogelland: niemand zou immers de plaats van de in het vuur gestorven merels kunnen innemen.

Met het verstrijken der jaren is Vogelland uiteen gevallen en het bestaan van het Vogelrijk werd vergeten. Maar de rivier bleef de herinnering aan de vogels dragen, ook toen bijna niemand het oude verhaal meer kende... en zo komt het dat de rivier 'Amstel,' wat eigenlijk 'Merel' betekent, heet,' besloot Gijs het verhaal.

Robin bleef even stil en vroeg daarna: 'Maar waarom heet het dan 'Amstel,' en niet 'Merel' ?'

'Omdat men in die tijd nog een soort Duits sprak en toen men eindelijk Algemeen Beschaafd Nederlands leerde was men vergeten dat de rivier Amstel voor de merels heette en nu is het laat en moet je naar bed, hup!'

Gijs kwam overeind en deed de lampen uit.

Later, nadat hij zijn neefje ingestopt had, zat Gijs in zijn schommelstoel en keek uit over de rivier. Wat een mooi verhaal. Vogelland, wat zou daarmee gebeurd zijn? Hij schudde de vraag van zich af. Onzin, hij had Vogelland bedacht, toch? De oom van Robin glimlachte, hij liet zijn verbeelding weer eens de vrije loop gaan. Zijn glimlach ging over in een reutelende hoest.

'Rothoest,' dacht hij nog. Afgelopen jaar was het steeds erger geworden. Hij kwam overeind en ging naar de keuken. Wat water drinken en dan naar bed. Hij maakte nog een aantekening in zijn hoofd dat hij het verhaal moest opschrijven.

Zijn neefje kon de slaap niet vatten.

Vogelland. Wat zou daarmee gebeurd zijn?

Robin, zoals de jongen heette, bleef nog lang aan het rijk denken. Pas na vele uren viel hij in slaap.

Het was zijn laatste logeerpartij bij zijn oom in Amsterdam geweest. Oom Gijs was twee jaar later overleden. Robin begreep naderhand dat Vogelland een verzinsel was geweest: een van de verhalen die zijn oom zo razendsnel had kunnen bedenken, maar dit stelde Robin niet teleur, want het was zo'n mooi verhaal geweest. Het allermooiste verhaal van oom Gijs. Bovendien bleef een stukje in Robin in Vogelland geloven, daar waar vogels in harmonie en geluk samen konden leven.

-een vreemde kennismaking-

Op zijn dertiende kwam Robin opnieuw in de grote stad. Zeven jaar na zijn laatste logeerpartij ging hij met een schoolreisje van de tweede klas van het atheaneum naar Amsterdam. Vanaf het Centraal Station gingen ze naar het Scheepvaartmuseum, waar je door een periscoop die uit het dak stak mooi over de stad kon uitkijken. Vanaf daar maakten ze de lange wandeling naar het Tropenmuseum en vervolgens ging het gezelschap verder naar de Berlagebrug.

'Deze brug is genoemd naar de architect Berlage. De brud verbindt Amsterdam-Oost met plan Zuid. Wie weet hoe de rivier, die Amsterdam-Oost van plan Zuid scheidt, heet?'

'Amstel, Amstel, net als dat bier,' brulden de jongens van de klas, 'wahaa, een bier-rivier!'

'Ja jongens,' zuchtte de leraar, 'het is een bier-rivier. Nu gaan we een stuk wandelen en we volgen de bier-rivier tot het centrum. Daar mogen jullie een uur rondkijken en dan verzamelen we bij het monument op de Dam voor het avondeten bij de Chinees.'

'Ah, lopen, meneer? '

'Hoe lang is dat wel niet?'

'Hebben we niet al genoeg gelopen? Ah toe?'

'Ja joh, naar de Dam lopen, daar zijn de Wallen! We gaan naar de Wallen!'

'Nee, dat gaan jullie niet! En wie ik daar betrap, die wordt een week van school gestuurd!'

'Hoe betrapt u iemand daar precies, meneer?'

'Houd je brutale mond, Roepman! Kom op allemaal, hup, lopen!'

Uiteindelijk bewoog de horde zich onder veel gemompel en gemor langs de rivier voort, richting Stopera.

Langs de Weesperzijde liepen ze, en de atheaneumers bewonderden de statige panden langs het water.

'Tjé man, wat een gave huizen.'

'Ja, wreed! Hé meneer! Hoeveel kost zo'n huis, hé?'

'Ik weet het niet jongens. In ieder geval meer dan ik ooit zal verdienen.'

'Nou dan later maar geen leraar worden, wahaa!'

Bij een hoekpand voelde Robin zijn ruggegraat vol met kippevel stromen: daar! Daar waren de etages van zijn oom! Hij herkende het rivierpand alsof hij gisteren pas naar huis teruggegaan was.

Robin bleef stilstaan voor het huis waar hij ooit gelogeerd had, onbeweeglijk staarde hij naar het gebouw, terwijl zijn klas en de leraren verder liepen. Niemand merkte dat een leerling achterbleef.

Het gejoel van de klas was al een paar minuten geleden verstomd en Robin stond nog altijd voor het huis. De tweede en de derde verdieping waren van oom Gijs geweest. Daarboven was een gigantische rommelzolder, waar hij de herfstvakanties zo vaak doorgebracht had. De klas, waar was iedereen? Robin keek om zich heen, maar er was niemand meer te zien.

Ach, gewoon de Amstel volgen, dan zou hij ze vast weer vinden. Maar dat kon wachten, wie weet kon hij even een kijkje nemen in het huis. Robin had geen idee wie er nu woonde. Het was van oom Gijs geweest, maar na zijn dood was het verkocht. Juist in de tijd dat mensen de stad massaal verlieten en de huizenmarkt gekelderd was, was er een aardige zonderling gekomen die de etages graag wilde overnemen en een goede prijs betaald had. Tenminste, dat had Robins vader verteld.

Op het naambordje van de tweede verdieping stond naam van de huurder: R. Wiznadir. Robin belde aan. Snel klonk een klik en de deur zwaaide naar binnen open.

'Wie is daar?' riep een stem van boven.

'Eh, ik ben Robin, ik ben op schoolreisje en vroeger logeerde ik hier en ik eh... '

'O, Robin van het schóólreisje! Kom maar snel naar boven, maar doe de deur achter je dicht.'

De dertienjarige zweeg verbaasd. Kende hij R. Wiznadir? In ieder geval leek deze hèm wel te kennen. Robin sloot de deur en klom de trap op.

Op de tweede overloop stond een lange, magere man van rond de dertig. Hij had spierwit haar en een hippe ronde zonnebril met paarse glazen. Hij knikte Robin vriendelijk toe:

'Zo, dus jij bent Robin die op schoolreisje is en hier vroeger logeerde?'

Robin knikte bedremmeld. 'Ja meneer, kent u mij?'

'Nee, niets daarvan en integendeel! Ik heb nog nooit van een Robin van het schoolreisje gehoord. Laat staan van een Robin die hier logeerde, maar kom binnen, dan drinken we gezellige thee en vertel jij over jouw logeerpartijen. Kom, geef je jas maar aan. O ja, ik ben Ruud Wiznadir, maar iedereen noemt me 'Wiz'.' De man keek even bedenkelijk: 'Hoewel, eigenlijk noem ik alleen mezelf maar 'Wiz,' maar goed, noem jij me ook maar 'Wiz,' dan noem ik je 'Robin,' oké?'

De jongen knikte beduusd en gaf zijn jas aan Wiz, die deze in de hal ophing.

Wat een gekke man, die Wiz. Robin keek om het hoekje de woonkamer in. Wat was deze veranderd: niet alleen de schommelstoel en de twee meter lange bank waren verdwenen, maar overal waar je keek sprong een paarse gloed je tegemoet. Zelfs het plafond was paars-lila, met hippie tekeningen van dansende vrouwen en slangen, het was echt verschrikkelijk. Robin liep naar binnen en ging in een hoek zitten, bovenop een stapel gele, paarse, roze en oranje kussens die een oosters tapijt bedekten. Wiz kwam met een dienblad de woonkamer binnen: 'Daar is de gezellige thee met de zo mogelijk nog gezelliger koekjes. Ah, je hebt de kussenhoek gevonden, zie ik. Ja, ik ben allergisch voor stoelen en banken en wil 'close to the floor' blijven, vat je? Suiker in je thee?'

'Nee dank u.'

'Ach joh, zeg maar 'je,' dat doet iedereen. Hoewel, eigenlijk doe ik dat alleen zelf, maar nu kan jij ook 'je' zeggen. Of 'Wiz,' wat je maar wilt, oké?'

'Ja Wiz.'

'Goed joh! Vertel eens over het logeren. Dat moet een te gekke ervaring geweest zijn met die sferen hier. Toen ik het huis zag was ik meteen verkocht. Ik heb gebeld en kon er meteen in, te gek man! Het is het beste dat ik ooit gedaan heb. Wanneer was dat ook weer? Vijf jaar geleden ofzo! Time flies like the Jonathan Livingston, ik bedoel like the seagull.'

Robin keek om zich heen. De sferen, ja. Nou daar was geen spoortje van overgebleven. Hij voelde zich treurig worden en wilde eigenlijk het liefst zo snel mogelijk weggaan: 'Toen ik hier logeerde was het huis heel anders. Maar ik moet weer weg, naar mijn klas.' Hij kwam overeind, maar Wiz kwam eveneens overeind: 'Nu alweer weg? Ach wat een kort bezoek! Maar wacht, ik show je eerst de bovenkamer, want anders heb je helemaal niets dan de ontvangstkamer gezien, kom mee, schoolreiziger.'

Wiz liep de kamer uit en wenkte Robin hem te volgen. De jongen haalde zijn schouders op. Nou, vooruit dan maar. Hij was boos-benieuwd hoe de nieuwe eigenaar de rest had weten te verpesten.

Niets was minder waar. De tweede etage was onherkenbaar veranderd in de mooiste kamer die Robin ooit van zijn leven gezien had. Overal stonden gigantische planten die tot het plafond kwamen en aan het plafond hingen weer evenzovele andere planten die tot de vloer reikten. De etage was een compleet bos, er liep zelfs een watervalletje, dat in een vijver uitmondde, langs een van de muren. Aan de voorkant bood het openstaande zolderraam uitzicht op de rivier.

'Gaaf, niet? Ik ben er zelf nogal blij mee.'

Robin knikte ademloos.

'Right, zal ik de gezellige thee hier naartoe halen, of moet je verder met schoolreizen?'

'Nou, ik zou heel graag even blijven en thee drinken, als het nog mag, meneer.'

'Nee, niet meneer, maar noem mij nou es 'Wiz' en keer op keer. Dan mag je blijven, zolang je wilt. Een echte reiziger moet immers uitrusten alvorens weer verder te gaan.'

Wiz liep de trap af. Robin liep door de kamer en bewonderde alle verschillende kleuren groen. Er was zelfs aarde, waarop mos groeide tussen de varens en struikjes die hij niet kende. Achter hem klonk scherp gekras. Robin schrok, draaide zich om en op de takken van een boom-plant zaten drie kauwtjes, die hem aankeken.

'Ha, ziedaar Inkie, Dinkie en Twinkie, mijn huisgenoten. Het zijn jaarlingen, dat kan je zien aan hun slordige en rechtopstaande kopveren. Kraaiachtigen van een jaar oud zijn immers nog te jong en ongedurig om zelf hun veren te kunnen kammen. Jongens, dit is Robin. Hij is een school-reiziger.'

De drie kauwtjes zeiden: 'Ka' en vlogen vervolgens het raam uit.

'Ze mogen je, dat zie ik zo.' Wiz gaf hem een theemok aan.

'Zijn ze van jou?'

'Welnee joh, vogels zijn van niemand. Op een dag kwamen ze aangevlogen en sindsdien bleven ze. Cool, nietwaar?'

'Ja, cool.'

Ze dronken hun thee en Wiz babbelde vrolijk honderduit over het huis, de te gekke sferen en de waanzinnige geesten die je tegen kon komen.

Wat een vreemde man. Robin was nog nooit iemand tegengekomen die zo vreemd was. Zelfs zijn oom Gijs was nooit zo vreemd geweest. Maar hij was wel heel erg leuk, die Wiz. En hij kon geweldig goed vertellen, misschien zelfs wel net zo goed als oom Gijs.

Na een uur besefte Robin geschrokken dat het de hoogste tijd was om op te krassen. Zijn klas zou immers naar de Chinees gaan. Gewoon de Amstel volgen tot de Stopera en dan weer vragen, dan kwam hij bij de Dam, legde Wiz nog uit terwijl hij Robin uitgeleide deed: 'Right, reiziger van scholen: nu weet je waar Wiz woont. Dus, kom op het moment dat de Noordenwind waait. Of kom met de Oostenwind, of met de Westenwind, zie maar wat het beste uitkomt.'

Robin knikte en gaf hem een hand: 'Tot ziens Wiz.'

'Tot snel, Robin.'

-de zolderheks-

Robin bleef Wiz bezoeken. Elk half jaar ondernam hij in zijn eentje de reis naar Amsterdam en ging vervolgens op goed geluk naar het huis aan de Amstel. Wiz was meestal thuis en blij verrast als Robin langs kwam. Dan dronken ze thee en aten speculaas terwijl Wiz vertelde over de te gekke schilderijen die hij aan het maken was, of ze speelden schaak en Mahjong waarbij Wiz altijd verloor, maar heel goed tegen zijn verlies bleek te kunnen.

Op een dag in de lente, hij was net zeventien geworden, belde Robin aan. De deur ging open en Wiz stond in het trapgat: 'Hé Robin, goed dat je langs komt hé, te gek, maar ik moet net even weg om je cadeau op te halen, sweet seventeen man, wauw. Ik ben zo terug, right? Zet jij vast gezellige thee, dan zie ik je zo in het bovenbos.' Wiz wervelde het huis uit en Robin bleef ietwat verbluft achter. Maar goed, thee zetten en dan naar het 'bovenbos,' de in planten gehulde derde verdieping.

Inkie, Dinkie en Twinkie zaten in het vensterbank, knikten en krasten 'ka,' toen hij met theepot en mokken naar boven kwam en vervolgens hervatten ze het gladstrijken van hun veren. Het bovenbos was groen, koel en zoet als altijd. Robin ging op het mos zitten. Dat Wiz wist dat hij jarig was geweest, goed zeg! Benieuwd wat voor cadeau hij zou krijgen. Vorige jaren had hij niets gekregen. Hij kon zich ook niet herinneren Wiz ooit zijn verjaardagdatum verteld te hebben. Hoe wist hij het eigenlijk? Robin had geen flauw idee, maar het kon hem niet al te veel schelen. Hij was veel nieuwsgieriger naar het cadeau. Een cadeau van Wiz, nou dat moest wel iets heel speciaals zijn. Toen ontwaarde Robin iets dat hem nog niet eerder opgevallen was. Naast de waterval was een gat dat grotendeels bedekt werd door de grote klimop. Voor het eerst zag Robin de opening achter het groen, naast het stromende water. Nieuwsgierig liep hij erheen. Natuurlijk, het was het trapgat naar de rommelzolder, die was hij glad vergeten, zeg. Wat zou ermee gebeurd zijn? Zou Wiz de zolder ook opnieuw ingericht hebben? Waarom had hij het nooit laten zien? Robin aarzelde even, het was niet netjes om op iemands zolder rond te gluren, maar aan de andere kant, Wiz zou het vast niet erg vinden.

Voorzichtig duwde Robin de klimop een beetje opzij en via de daarachter liggende ruimte liep hij het gat in en klauterde de trap op. Boven was het schemerig, want er kon maar weinig licht door het bestofte voorraam komen. Toen hij een beetje aan het schemerlicht gewend was nam Robin de zolder op. Nee, hier was weinig veranderd. Het was op zijn hoogst wat voller geworden met oude meubels van oom Gijs. Daar was de oude schommelstoel en de bank en heel veel houten speelgoed waar hij vroeger de middagen op zolder mee doorgebracht had. Naast de schommelstoel lag een bruine koffer die hij nog nooit gezien had. Wat zou daar in zitten? De jongen knielde en maakte de riemen los. De koffer bleek vol met volgetypte en volgeschreven vellen. Een boek van Wiz? Van oom Gijs? Robin pakte een stapeltje. Het eerste blad droeg als titel: 'Over Vogelland en de rivier'.

Vogelland! Het verhaal van oom Gijs. O, dit moest hij aan Wiz laten zien.

'Nu heb ik je te pakken!'

Achter hem krijste een stem en een donderend lawaai van dozen en andere omvallende spullen volgde. Met een gil sprong Robin op. Uit de hoek van het lawaai dook een woedende oude vrouw met slierten grijs haar, een haakneus en een gezicht vol wratten van achter de omgevallen dozen op: 'Kom hier!' Krijsend stormde ze op hem af en stak tien vingers met lange scherpe nagels naar Robin, die beduusd en bang naar achteren stommelde: 'Maar mevrouw, sorry, ik... '

'Niks mevrouw! Niks mevrouw!' gierde ze, 'kom hier! Ik ruik jongensvlees!'

'Oehoe, Robin, waar ben je? Op zolder? Nee toch? O jee.' Uit het trapgat klonk de stem van Wiz, gevolgd door haastige voetstappen. De heks siste en kromp ineen toen Wiz in de deuropening verscheen: 'Ben je mijn vriend aan het bang maken? Schaam je!'

Ze grauwde naar Wiz, maar vluchtte naar haar hoek, toen hij een dreigende stap in haar richting zette.

'Kom, snuffelaar,' Wiz wendde zich tot Robin, 'ik ben bang dat je de zolderheks boos gemaakt hebt. Laten we beneden thee gaan drinken.'

Bibberend en bevend knikte Robin, maar pakte nog snel de koffer op alvorens met Wiz naar beneden te gaan.

In het bovenbos bekwam hij langzaam van de schrik.

'Wat was dat nou?'

'Dat was de zolderheks. Een gemene oude heks die de zolder al ingepikt had voor ik klaar was met verhuizen.'

'Wat? Woont ze hier al die jaren al?'

'Ja.'

'Maar, dan moet ze toch door jouw huis voor boodschappen doen en douchen enzo?'

Wiz lachte: 'Douchen enzo doet ze vast niet, want het is een vieze oude zolderheks. Eten doet ze eveneens weinig, dunkt me en ze zal wel een bezemsteel hebben om naar buiten te gaan. Daar vliegen heksen toch op?'

'Maar heksen bestaan niet.'

'O.' Wiz nam een slok thee en zweeg.

'Maar kan je haar er niet uit laten zetten?'

Wiz haalde z'n schouders op en mompelde iets van dat hij niet zoveel last van haar had en waar ze anders naartoe zou moeten.

'Maar goed,' veranderde Robins vriend van onderwerp, 'ik heb je cadeau en jij hebt een koffer, zie ik.'

'Van zolder meegenomen. Kijk, er zitten verhalen in van oom Gijs.'

Wiz trok zijn wenkbrauwen omhoog: 'Gaaf, een schrijver dus, die oom Gijs van jou. Maar eerst mijn cadeau, daarna gaan we de verhalen lezen.'

Wiz gaf hem een pak van anderhalve meter lang, een meter breed en zo'n tien centimeter dik.

'Wauw, vast een schilderij.'

'Zou je denken?'

Snel scheurde Robin het lila cadeaupapier van het pak af. Er kwam een schilderij tevoorschijn dat ondertekend was met: 'voor Robin, van Wiz'.

Het was het mooiste schilderij dat hij ooit gezien had. Misschien omdat het voor hem was. Misschien wel, want hij kon er niets van maken: er liep een kronkelende blauwe lijn temidden van rood, bruin, paars en groen. Robin vond het reuze mooi.

'Dankjewel Wiz. Goh, een echt schilderij, helemaal voor mij.'

'Ha, dat rijmt, ik wist niet dat je een dichter was. Gaaf schilderij hè? Ben ik ruim een jaar mee bezig geweest.' Wiz glimlachte trots. Robin bewonderde de kleurenschakeringen van zijn schilderij. Waar zou hij het ophangen? Boven zijn bed of naast de deur van zijn kamer? Boven het bed maar, dan werd hij elke ochtend wakker met uitzicht op zijn schilderij. 'Goh Wiz, dankjewel, dit had ik niet verwacht... '

'Ja nu is het wel goed', wuifde de schilder zijn bedankjes weg, 'kom, laten we nu eens naar de verhalen van je oom gaan kijken.'

Ze knielden bij de koffer en haalden er een aantal vellen uit.

'Goed zeg, sprookjes,' mompelde Wiz. 'Kijk hier: 'waarom de maan soms heel en soms half is.' En deze dan: 'waar komen de bomen vandaan?''

Allemaal titels die ooit serieuze vragen waren geweest van een kleine neef. Robin herinnerde alles. Al die vragen waar hij mee geworsteld had en waar zijn oom altijd weer een antwoord op had gehad.

'Dit is een flink verhaal zeg.' Wiz haalde het pak dat Robin al in handen had gehad tevoorschijn en las hardop: ''Over Vogelland, en de rivier.' Nou, die oom van jou is flink bezig geweest zeg.'

Robin knikte stilletjes. Vogelland.

Wiz begon het verhaal voor te lezen en na een kwartier eindigde hij met: 'En zo komt het dat de rivier 'Amstel,' wat eigenlijk 'Merel' betekent, heet.'

Wiz was stil. Zijn handen trilden. 'Waanzinnig man.' Even pauzeerde de schilder stilletjes, 'heeft jou oom dit bedacht? Maar wacht, het is nog niet afgelopen.'

Wiz sloeg de bladzijde om en las verder: 'Nadat de merels gestorven waren viel er een sluier van triestheid over Vogelland. Nooit zouden dingen meer hetzelfde zijn nu Merelhoeve verbrand was. Het eendengesnater klonk niet langer vrolijk vanaf de rivier, de nachtegalen componeerden slechts requiems en de raven hulden zich in droevig stilzwijgen. Met het gaan der merels was het net of de liefde verdwenen was. Misschien was hun liefde wel het cement geweest dat het rijk tezamen hield, want langzaam maar zeker begon Vogelland uiteen te vallen.

De arenden waren de eerste die het rijk verlieten. Ze spreidden hun grote vleugels en verhieven zich naar de lucht. Op de vraag 'waarheen?' antwoordde de laatste grote vogel: 'Naar het Oosten.'

Nooit kwamen ze meer weerom. Na de arenden verdwenen langzaam maar zeker alle andere vogels. Uiteindelijk restte alleen Ravenburcht, waar zeven oude raven de wacht over de boom hielden. Ze keken uit over de winter die de lage landen teisterde. De tweede winter sinds het sterven der merels.

'Met hun offer luidden ze onbewust en ongewenst het einde van Vogelland in' kraste één van de zwarte vogels. De andere knikten.

'En nooit zal er meer een rijk zijn, waar de vogels vrij en veilig kunnen zijn' sprak de raaf voort 'vanaf nu zullen wij allen waarlijk vogelvrij zijn.'

'Zo zal het zijn en niet anders' antwoordden de andere raven.

'Nooit zal er meer harmonie en liefde tussen de vogels kunnen zijn, zoals hier ooit was. Wij zullen het wellicht vergeten en een ieder zal eeuwig op zijn hoede moeten zijn voor mens en dier.'

'Zo zal het zijn en niet anders,' klonk wederom het krakende commentaar. Daarna werd het stil op de oude eik van Ravenburcht. De zeven sliepen in en bereidden zich voor op de dood. Ze kropen tijdens hun doodsslaap dicht tegen elkaar aan en stierven een voor een. Het waren oude raven wier ijzeren gestel uitgeput was. Met de komst van de avondschemer leefde nog maar één raaf, de jongste van de zeven. Na het sterven van de zesde raaf ontwaakte hij door de koude. De raaf opende zijn ogen, omfloerst door kou, tranen en dood, maar door de nevel zag hij een schijnsel. Voor hem scheen een licht zo wit, zo puur en zuiver. Nog nooit had een vogel zo'n licht gezien. En terwijl de laatste raaf zijn oude ogen inspande om de bron van het licht zien, hoorde hij een stem: 'Zo kwam het einde, hoewel? Nee, Vogelland zal wederkomen.'

De raaf voelde zijn hart verlichten, want op dat moment daagde het besef dat... nee, dit is onleesbaar. Kan jij hier iets uit opmaken?' Wiz gaf Robin het laatste vel. Hij bekeek de hanepoten van zijn oom aandachtig, maar kon er evenmin iets uithalen, alle woorden waren grondig doorgekrast.

'Nee. Oom Gijs heeft dit nooit verteld. Waarom zou hij het einde doorgestreept hebben?'

'Misschien een vertellersgril? Misschien was hij het niet eens met het einde, misschien bestaat dat Vogelland nog ergens en wilde hij het daarom niet stoppen. Misschien... wauw, natuurlijk: Er is geen einde! Dit is het ongelooflijk fantastische begin van jouw queeste naar Vogelland.'

'Vogelland,' fluisterde Robin, 'hoe vinden we het, Wiz?'

Zijn vriend haalde de schouders op: 'Het is niet mijn of onze queeste... nee, het is jouw queeste en jij moet het alleen doen.'

'Wiz! Je huilt!'

Onder het paarse brilletje dropen twee tranen. Wiz deed zijn bril af en veegde met zijn mouw langs zijn ogen. Tjeemig, zelfs zijn ogen waren paars.

'Nietwaar, queester. Oké, misschien heb ik een beetje last van verhalenvuiltjes in mijn ogen, maar dat is toch logisch, nietwaar?'

Robin merkte dat hij eveneens tranen in zijn ogen had. En zijn buik was vol van opwinding. Een zoektocht naar Vogelland, wauw, dit was het! Daarom, ja vast, daarom had hij destijds hier aangebeld. Voor het laatste verhaal van oom Gijs.

De twee dronken hun thee op en Robin nam afscheid van zijn vriend. Met een koffer vol manuscripten en een schilderij ging hij naar de metro, om via het Centraal Station richting huis te reizen.

-de paarse tovenaar-

De volgende avonden bracht Robin door met het lezen van de verhalen van zijn oom, voor zover hij deze ontcijferen kon. De meeste verhalen waren sprookjes, geschreven naar aanleiding van Robins vragen. Tijdens het lezen herinnerde hij zich weer de avonden bij de schommelstoel van zijn oom. De knusheid die vergezeld ging van al die lekkere geurtjes, maar bovenal was daar het gevoel van spanning dat hem tijdens het luisteren naar oom Gijs bekropen had.

Langzamerhand begon Robin nu iets op te vallen. Op de één of andere manier kwam er in de verhalen keer op keer een stuk over de rivier terug. En nog veel vaker werd er verhaald van de vogels. Blijkbaar mocht men van de vogels verhalen, maar niet over hen vertellen. Door de verhalen heen fluisterde een verbod, zonder dat er feitelijk sprake was van iets zodanigs.

Neem nou het verhaal van de zwarte en de witte vlekken van melkkoeien. Nadat oom Gijs had uitgelegd dat ze in een bad vol melk gevallen waren en daardoor witte vlekken kregen stond er in de geschriften het volgende: '... vanaf de waterkant bekeken de vogels vol bewondering de nieuwe vlekken van de koe. Daarna gingen ze verder met de bezigheden in hun schone rijk...'

Eigenlijk sloeg die zin over de vogels nergens op, er werd verder immers niets over de dieren verteld. Toch had zijn oom het erbij geschreven. Het schone rijk als een heimelijke verwijzing naar Vogelland, terwijl dat juist het allerlaatste verhaal was geweest. Wiz had het bij het rechte einde gehad. Vogelland bestond en oom Gijs had er meer van geweten. In geen van de verhalen werd echter duidelijk wat er gebeurd was na de dood van de laatste raaf, nee, nergens vond Robin een waarachtige verwijzing naar de ligging van Vogelland.

Het werd drukker op school. De repetitieweken kwamen dichterbij en Robin kreeg grote bergen huiswerk mee. Hij had nog maar weinig tijd over om op zoek te gaan naar Vogelland. En het was niet iets om met schoolvrienden te delen: ze zouden hem immers voor gek verklaren. Bovendien wilde Robin niets aan anderen vertellen. Zoals Wiz al had gezegd, het was zijn queeste.

Robin was nog twee maal langs geweest op de Weesperzijde, maar beide keren was de schilder niet thuis geweest.

Na de repetitieweken had hij eindelijk weer voldoende tijd en rust om zich volledig aan de papieren van zijn oom te wijden. Robin opende de grote koffer en begon een nieuw verhaal op te delven uit de papier massa. Tussen de vellen verscheen een bruin papier. Een vel waar met groene inkt aantekeningen op waren gekrabbeld die Robins hart deden bonzen:

Handelingsvoorschriften voor het vinden van Vogelland

Wauw. Daaronder volgde:

'neem negen slokken uit de rivier'

'haal negen veren, één van elk der negen voornaamste vogels'

'Breng de paarse tovenaar en zijn zachte fee hun herinneringen en hun liefde'

Wat moest je daar nu mee? Handelingsvoorschriften... slokken water uit de rivier, jek. Een paarse tovenaar? Misschien was daar iets over in de bibliotheek te vinden.

Na schooltijd had Robin een bezoek aan de bibliotheek gebracht, maar hoe hij ook speurde, er was nergens iets over paarse tovenaars, zachte feeën of voorname vogelsoorten te vinden. Na een middag speuren in de bibliotheekcomputer keerde Robin mismoedig huiswaarts. Bah, het zoveelste dode spoor. Hij moest een nieuwe zoekrichting bedenken. Misschien moest hij naar een grotere bibliotheek, of naar een vereniging van ornithologen, of misschien wist Maarten 't Hart er wel meer van.

's Avonds schreef hij alle denkbare speurpaden op, maar toen Robin ze vervolgens stuk voor stuk bekeek bekroop hem een moedeloos gevoel. Nee, hij had er weinig vertrouwen in dat een van de bedachte paden hem dichter bij Vogelland zou brengen. Hij zuchtte bezwaard en besloot het onderwerp voorlopig te laten rusten, misschien bracht een pauze wel een heldere ingeving.

Een week later werd Robin verrast door onverwacht bezoek. Het was in de avond en hij had juist zijn tanden gepoetst toen bij het open raam een wild gekrakeel klonk. Robin keek op en in het raamkozijn buitelden drie kauwen met veel tumult door elkaar. Het waren Inkie, Dinkie en Twinkie, de kauwtjes van Wiz.

'Jongens, wat is er?'

'Ka ka ka!' antwoordden de drie en vlogen kriskras langs elkaar en om elkaar heen. Het was heel vreemd, nog nooit had Robin de vogels zoveel leven zien maken. Ze vlogen zelfs naar zijn gezicht, pikten hem zachtjes in zijn handen en wangen en krasten dringend: 'Ka ka ka!' Daarna vlogen ze het raam uit om meteen daarop weer naar binnen te snellen: 'Ka ka ka!'

'Meekomen, Robin. Kom naar Wiz!' Er was iets gaande in de stad. Robin aarzelde niet, sloop naar beneden, schoot in zijn jas en verliet zachtjes het huis. Het was bedtijd geweest en zijn ouders dachten vast dat hij lag te slapen. Robin fietste naar het treinstation, kocht een kaartje en stapte een kwartier later in de intercity.

Hij drukte op de bel, het touw in het trappenhuis ontgrendelde de benedendeur. Eerst klonk de klik van het slot, daarna zwaaide de voordeur open. Op de tweede verdieping stond de deur op een kier. Robin duwde deze verder open en ging naar binnen, waar een puinhoop hem begroette. Het plafond was deels naar beneden gekomen. Aarde en plantenresten van het bovenbos waren door de gaten gevallen en lagen door de woonkamer verspreid en alle kussens van de zithoek waren aan flarden gescheurd, de veren dwarrelden in het rond, opgejaagd door de wind die door het openstaande raam blies. Het leek wel of een storm in de etage van zijn vriend had huisgehouden.

'Wiz?'

'Haha, nu heb ik je! Kom hier! Kom hier, zeg ik!' Uit de keuken kwam de zolderheks met een tiental uitgestoken klauwen aangestoven. Robin gaf een gil, draaide zich razendsnel om en vluchtte door de deuropening naar het trappenhuis. Net voor de zolderheks hem bereikte glipte hij de kamer uit en smeet de deur achter zich dicht. Snel de trap af, stel je voor dat ze achter hem aan kwam. Hij daverde zo snel hij kon de trappen af, het pand uit en hup naar buiten. Pas na een meter of vijftig durfde hij halt te houden. Robin keek om. Door de openstaande ramen van de tweede verdieping leunde de zolderheks: 'Wacht maar, ettertje! Ik krijg je nog wel!' Ze schudde met haar vuist, ging weer naar binnen en klapte de ramen dicht. Robin voelde zijn hart tekeer gaan. Wat een eng naar mens, zeg, getver. Maar waar was Wiz? Wat was er met hem gebeurd, Wat had ze met zijn vriend gedaan? Robins maag kromp ineen, toen de verschrikkelijke gedachte zich aandiende: zou ze hem vermoord hebben?

'Oehoe, joechei, Queester! Hier ben ik!'

Op de rivier wiebelde een roeibootje, een man stond rechtop en wuifde naar hem. Het was Wiz. Hij ging zitten, roeide naar de oever en sprong aan wal: 'Wat leuk dat je d'r bent, joh, alleen balen dat ik m'n huis kwijt ben.'

'Wiz! wat is er gebeurd?'

'Tja, die rare heks heeft me in m'n slaap overrompeld en mijn huis overgenomen, ik kon nog maar ternauwernood ontsnappen.' Hij slaakte een diepe zucht: 'Waarom doet ze dat nou telkens? Nou ja, lets stay cool, go with the flow.'

'Wat? Laat de politie komen, de brandweer, het is jouw huis! Ze kan je er niet zomaar uit zetten!'

Wiz haalde z'n schouders op: 'Ach, al dat geweld, laten we vrede een kans geven.'

Opnieuw was Robin verbijsterd door zijn schildervriend: Wiz was zijn huis uitgejaagd door die lelijke ouwe heks wat deed hij? Beatlesliedjes aanhalen.

Zijn vriend klopte hem op zijn schouder: 'Maar vertel, hoe gaat het met de queeste?'

'Ik heb aanwijzingen in de koffer gevonden, maar ik weet niet wat ik ermee aanmoet.'

'Ha, vorderingen! Vertel, waar ligt het schone rijk?'

'Het schone rijk,' zo had oom Gijs Vogelland genoemd...

Robin haalde zijn schouders op: 'Ik heb geen flauw idee, de aanwijzingen zijn onbegrijpelijk. Maar, misschien zeggen ze jou iets.'

'Mij? Nee joh, ik weet niets van queestes naar Vogelland.'

'Zeker weten? Wat dacht je van deze zin: 'Haal negen veren, één van elk der negen voornaamste vogels.' Nou? Ken jij de voornaamste vogels?'

Wiz schudde aarzelend zijn hoofd: 'Nee.'

'Een andere zin dan: 'Breng de paarse tovenaar en zijn zachte fee hun herinneringen en hun liefde.' Paarse tovenaar, zachte fee, nou?'

Robin keek op en zag de paarse ogen van zijn vriend groot als schotels met daaronder de mond wijdopen: 'Goh... dit is heftig.' Wiz keek Robin vragend aan, wendde zijn blik af en staarde om zich heen.

'Heftig joh,' prevelde hij nogmaals en begon te rillen.

'Wiz, wat is er?'

'Verschrikkelijk heftig zelfs,' mompelde Wiz, terwijl hij zijn armen om zich heen sloeg, 'verschrikkelijk heftig zelfs,' fluisterde Robins vriend opnieuw, terwijl hij rillend heen en weer begon te wiegen met zijn armen krampachtig om zijn bovenlichaam heen geklemd.

'Ik zal een dokter, nee, een ziekenwagen bellen! Wacht hier, ik ga telefoneren, waar is de cel, bij de brug toch? Gaat het nog? Ga even zitten, ik ben zo terug!'

Het wiegen en trillen verminderde. Wiz schudde zijn hoofd: 'Nee Robin, laat maar. Het gaat wel.' Hij ademde diep in en uit: 'Paarse Tovenaar en Wiz... gelukkig, zorgeloos en zoveel vergeten, al die jaren, al die jaren... hoe lang wel niet? Wat nu? Wat nu?'

Wiz babbelde onverstaanbaar voort. Hij zag er zo verslagen en triest uit dat Robin tranen in zijn ogen voelde springen. 'Kom joh, ik ga de ziekenwagen bellen.'

Wiz schudde nogmaals met zijn hoofd, diepte een zakdoek uit zijn mouw en snoot zijn neus, hij liet zijn armen vervolgens langs zijn lichaam glijden en rechtte zijn rug. Zijn gezicht ging van Robin naar de rivier, naar het zuiden, waar de rivier de stad verliet. Hij zweeg en tuurde ingespannen over het water, naar een punt voorbij de donkere Berlagebrug. Na enkele minuten haalde hij diep adem en sprak: 'Ooit bouwde de grootste tovenaar van allemaal zijn huis in een gezellig bos. En toen? Wat toen?' Van de rivier gleed de blik van Wiz naar Robin. Robins vriend haalde zijn schouders op: Wat toen?'

'Kom joh, laten we naar de telefooncel gaan. Een ziekenwagen bellen.' De jongen trok zachtjes aan Wiz' mouw.

'Niets daarvan, tijd voor actie.'

'Dat we naar de politie gaan?'

'Niets daarvan, we gaan naar de heks.'

'O... zal ik dan niet liever buiten wachten?'

'Niet zo bang, op die manier worden er geen queestes volbracht.'

Wiz nam Robin ferm bij de hand en zo liepen de twee naar het pand. De voordeur was niet in het slot gevallen. Wiz duwde er tegenaan en de deur zwaaide geruisloos open. Zo zacht mogelijk klommen ze naar boven en bereikten de overloop van Wiz' etage. Ondanks de kracht waarmee Robin deze zojuist achter zich dichtgesmeten had, stond de deur weer half open. Groen licht schemerde vanuit de woonkamer.

'Zachtjes nu', fluisterde Wiz en ging als eerste door de opening, terwijl Robin hem, met ingehouden adem, op de voet volgde. De heks stond bij het raam, met haar rug was naar de twee vrienden gekeerd. Ze roerde in een grote ketel waar lichtgevende groene damp uit steeg. 'Zeven haren, vermengd met kattedarmen,' gierde ze en roerde heftig voort.

'Dat zal de jongens vast wel goed verwarmen,' vulde Wiz aan. De heks maakte een luchtsprong, tolde in het rond en kwam weer op haar voeten terecht. 'Jullie!' siste ze, haar vingers met de smerige lange nagels kromden zich voor haar rimpelgezicht en dreigend bewoog ze zich in de richting van de deur. 'Nu neem jullie allebei te grazen! Nu gaan jullie eraan.'

Robin maakte zich zo klein mogelijk achter de rug van zijn vriend. Maar Wiz negeerde de heks die in hun richting kwam gehobbeld. Hij opende een ingebouwde gangkast waar blazers en pakken in de meest vrolijke en bonte kleuren hingen. Vrolijk fluitend pakte Wiz een paars jasje uit de kast en trok het aan. Op dat moment stak de heks haar scherpe nagels naar zijn ogen. Doodgemoedeerd pakte Wiz de heks echter bij haar polsen en hield ze stevig vast zodat ze haar armen niet meer kon bewegen. De heks kronkelde, siste en kwijlde, maar kon zich niet bevrijden. Ze spuwde gruwelijke bedreigingen, maar Wiz trok zich er niets van aan: 'Luister goed, rare zolderheks, ik ben de paarse tovenaar en vanaf dit moment is geen enkele heks nog welkom in mijn huis!'

Hierop begon de heks te kermen en te gillen. Ze viel op haar knieën en kronkelde krijsend op de grond terwijl Wiz verbluft haar polsen losliet. Robin keek verbijsterd over de schouder van zijn vriend: de heks gilde steeds harder, haar gezicht scheurde open in grote kloven, waar geel en groen pus uitstroomde.

'Wiz, ze is aan het doodgaan!'

Wiz knikte ietwat beduusd: 'Ja, daar lijkt het wel op, niet?' Hij keek onzeker van de heks naar Robin en terug naar de zolderheks en weer naar Robin: 'Wat moeten we doen?'

'Weet jij dat dan niet?'

'Nou, eigenlijk niet nee.'

De kronkelende zolderheks gaf nog één gil en blies haar laatste adem uit. Het was een zucht van tien seconden. Een zucht die in een roze wolk veranderde: de wolk daalde neer op het lijk van de heks en toen deze oploste was het lichaam verdwenen. Op haar plaats stond een meisje zonder kleren. Wiz sloeg snel zijn jasje om het meisje, want bloot was immers zo bloot.

'Dankjewel,' fluisterde ze, 'wie ben jij?'

'Ik ben Wiz, de paarse tovenaar. Wie ben jij?' Ze keek hem aarzelend aan: 'De zolderheks?'

Robin en Wiz keken naar het meisje, naar elkaar en schudden met hun hoofden. 'Nee, jij bent zeker niet de zolderheks, want die had lelijk grijs haar en het jouwe is mooi bruin en zij had groezel ogen en de jouwe zijn mooi roze.'

Toen klonk er een geweldig geroezemoes op uit de voormalige zithoek. De veren uit de opengescheurde kussens dartelden in het rond en hier steeg een getjilp en gekwinkeleer van jewelste uit op. Voorzichtig kwamen de drie naderbij. Het was niet alleen getjilp: door het vogelgezang klonken stemmetjes. Stemmen die een lied zongen en in het lied was een verhaal geborgen:

Mirandel en zijn zachte fee

'Na de dood van de raven strekte de legende van Vogelland zich uit over de wereld. De vogels die het droeve lied kenden verspreidden het over de vier windstreken, zodat de geruchten over het vreemde schone rijk van vogels op een goede dag de kantelen van een kasteel bereikten en daar neerstreken. Het was een klein kasteel, dat eigenlijk de naam kasteel niet mocht dragen. Het had weliswaar twee torentjes die door kantelen verbonden werden, maar daarachter was gewoon een knus woonhuis gelegen. Het huis had feitelijk alleen de façade van een kasteel. Dat kwam door de bewoner, die weliswaar dol op kastelen was, maar grote kastelen tegelijkertijd bijzonder kil en ongezellig vond. Het kasteel-huis stond op een groene weide, middenin een groot woud van kastanjebomen en hazelaars.

Hier woonde Mirandel, die ook wel 'de paarse tovenaar' genoemd werd. Waar hij vandaan kwam en wanneer hij hier gekomen was, niemand die er het fijne van wist. Van de ene op de andere dag was hij in het bos geweest en had daar in een dag zijn kasteel, dat geen kasteel was, gebouwd en er waren maar weinigen die van zijn woonplaats wisten. Het was echter spoedig duidelijk geworden dat Mirandel een tovenaar was, en wel een heel erg vreemde. In tegenstelling tot andere tovenaars droeg hij geen grimmig zwart of woest scharlaken, neen, niets van dit al. Mirandel ging altijd in paars gekleed. Een vriendelijke tint paars die tegen het lila aan zat.

'Een vrolijke kleur en toch ontzettend toverachtig,' aldus de tovenaar. Het menggeheim van zijn kleur deelde hij met geen enkele toverbroeder of -zuster, want de kleur weerspiegelde de essentie van zijn magie.

Hij was trouwens in alle opzichten een vreemde eend in de bijt, die Mirandel. Hij sloot zich niet aan bij een broederschap, maar was zeker niet bang voor duels met collega's (in die dagen werden ongebonden tovenaars als vogelvrij gezien en dus als prooi en buit). De enkele magisters die hem uitgedaagd hadden waren met een vingerknip van Mirandels hand verschrompeld, of in vlinders veranderd. Snel had men hem dan ook met rust gelaten.

Feitelijk was Mirandel de vriendelijkste tovenaar van allemaal, zijn paarse magie was niet louter genezend als witte (wat in die tijd eigenlijk praktisch niet meer voorkwam), of vloekend als zwarte. Zijn tover was vooral vrolijk en dromerig. Hij wendde magie ook aan voor doeleinden die niet geheel overeenkwamen met wat de duistere toververbonden onder de doelen van magie verstonden, maar niemand kon hem hier van laten afzien. Dat was het meest bedreigende voor de broeder- en zusterschappen. De paarse magie van Mirandel was sterker dan alle andere. Alle andere magiërs waren afgunstig en ook wel bang voor de paarse magie. Stel je voor, dat hij zijn paarse magie op hen zou loslaten!

Hun tover was grotendeels gebaseerd was op fop en bedriegerij (heel soms verworven ze een beetje kracht door een verbond aan te gaan met vreemde wezens die zich enkel en alleen via vurige emananties lieten oproepen), die van Mirandel was echter van heel andere aard. Zijn paarse magie was echt, levend als de wereld, scheppend, krachtig en wonderbaarlijk. De paarse tovenaar kon gedachten verwezenlijken met zijn toverkracht. Eén van de bekendste voorbeelden van Mirandels paarse tover was het Feeënwoud: een streek in het woud die iemand alleen maar kon vinden als hij of zij gebracht werd door één der feeën. Volgens verhalen was dit oord eerder een park dan een woud, met watervallen die smaakten naar wijn, bier of water, al naar gelang de drinker wenste; er waren bloemen die de heerlijkste geuren voortbrachten, waar je door bedwelmd kon raken en de meest fantastische dromen van kreeg; er was wonderschone muziek van de feeën die gemengd werd met zacht geruis van beekjes en krekels. Dit parkwoud was een oord van schoonheid en verwondering.

Mirandel had het Feeënwoud voor zijn geliefde zachte fee geschapen. Dat was ook weer zoiets wonderlijks, het was geen mens of, maar een fee. Medetovenaars hadden Mirandel wel gevraagd wat dat nou waren, die feeën, waarop Mirandel had geantwoord dat het een elfensekte was die zich tot een Katholiek-Christelijke geloofsvariant bekeerd had en daardoor ook petemoei kon worden. Dan gingen de toverbroeders en -zusters weer kwaad weg, want het was overduidelijk dat de paarse tovenaar hen weer iets op de mouw poogde te spelden. Elfen bestonden helemaal niet! Nee, Mirandel genoot geen goede reputatie bij zijn collega's.

Hij had zijn zachte fee ontmoet tijdens een ochtendwandeling in mei. Met het ochtendgloren was hij naar buiten gegaan om de bomen rond zijn huis goedemorgen te wensen. De kastanjebomen hadden vrolijk terug gehumd, toen er iets ongewoons gebeurde: uit het struikgewas klonk een gepiep dat de tovenaar niet thuis kon brengen. Nieuwsgierig was hij er naartoe gelopen en een roodborstje lag kermend op de grond, de rechtervleugel lam langs het lijfje.

'Stil maar kleine pieper die je er bent,' hij wuifde met zijn hand en hierop was de vleugel genezen. Toen was de vogel in een roze wolk veranderd en toen deze optrok stond een meisje voor Mirandel. Ze was net iets kleiner dan hij, met hertebruin haar en heel vreemde ogen. De irissen waren roze en de pupillen wit.

'Wat ben jij mooi.' Sprak het meisje en raakte zijn wang aan. Het was de zachtste aanraking die Mirandel ooit gevoeld had, hij raakte tot over zijn oren verliefd.

'Jij bent veel mooier en zachter dan ik. Wil je bij mij komen wonen?'

'Ja leuk!'

'Hoe heet je, mooi meisje?'

Ze keek hem ernstig aan: 'Van mijn vader mag ik mijn naam niet hardop uitspreken, maar ik wil hem je wel in je oor fluisteren. Zo gezegd, zo gedaan. Tevens vertelde ze Mirandel dat ze een fee was.'

'Nou, dan ben je mijn zachte fee.'

'En jij mijn paarse tovenaar.'

'Hoe heet jouw vader, zachte fee?'

Dat is heel geheim, dat mag ik niet eens fluisteren, alles wat ik zeggen kan is dat hij de Koning van het Woud is.'

Mirandel sloeg zijn handen verheugd in elkaar: 'Nee maar, wie had dat ooit gedacht?'

De twee wandelden hand in hand naar het huis van Mirandel. Maar met het verstrijken der dagen begon de fee weg te kwijnen. Ondanks haar liefde voor Mirandel kon ze niet aarden in het woud. Elke dag verlangde ze meer naar het eerste woud, waar haar vaders troon stond. Maar, een tocht daarheen duurde zeven maanden, zeven weken, zeven dagen en zeven uren en dat was toch wel heel erg lang.

De tovenaar luisterde daarom naar haar dromen en uit hen bereidde Mirandel het Feeënwoud voor zijn zachte fee. Vlakbij zijn woning, maar, net als het kasteel-huis, onvindbaar voor wie het zonder zijn toestemming zocht (want Mirandels paarse magie was immers de sterkste tover van de wereld).

Toen Feeënwoud voltooid was had de zachte fee gezucht en in haar handen geklapt van vreugde: 'Wat mooi, mijn allerliefste, wat mooi! Nog mooier bijna dan mijn thuisland, als dat zou kunnen.' Ze omhelsde Mirandel en kuste hem op de wang: 'Al wat nu nog ontbreekt, zijn mijn broers en zusters. Ik weet zeker dat ze bij ons willen komen wonen. Laten we ze uitnodigen.'

Zo gezegd zo gedaan. Ze ondernamen de lange tocht naar het thuisland van de zachte fee, waar de troon van haar vader stond. Het was erg gezellig geweest en Mirandel had lang met haar vader gesproken, die hen vervolgens in de echt verbonden had. Daarna was inderdaad een aantal feeën mee naar het woud gegaan. De zachte fee en haar verwanten woonden sedertdien in dat onbereikbare feeënwoud. 's Nachts waren ze daar en overdag waren de zachte fee en haar paarse tovenaar samen in zijn huis in het bos.

Op een vroege middag waren de geruchten van Vogelland op de kantelen neergestreken. Drie kauwtjes hadden het droeve verhaal naar het kasteel dat geen kasteel was gebracht.

De tovenaar en zijn fee speelden schaak op de torentrans van glas in lood toen de vogels uit het woud opdoken. De drie landden op een kanteel, ze waren zichtbaar uitgeput.

'Hallo, kleine kauwtjes,' had Mirandel de drie begroet, 'komen jullie uitrusten om straks door te vliegen, of komen jullie op de thee en met verhalen?'

'Schenk ons een ogenblik, o tovenaar,' zuchtte de middelste, 'wij hebben lang gevlogen en uitputting deed ons bij toeval op uw burcht neerstrijken, daar waar wij een bosweide verwacht hadden. Wij zullen onze boodschap vertellen, maar onze tijding is niet vrolijk.'

'Nee,' beaamde een ander, 'het is een droef verhaal van schoonheid die verloren ging. Gelukkig vertelde de Oostenwind dat een tovenaar misschien raad zou weten.'

Mirandel haalde verbaasd zijn wenkbrauwen op en keek van de vogels naar zijn zachte fee. Maar zij wist niet meer dan hij en samen keken ze naar de kauwtjes. De drie hadden inmiddels hun veren gladgestreken en begonnen hun verhaal. Het verhaal van de merels, de wolven en het verdwijnen van dat schone rijk. Het relaas van Vogelland was zo ontroerend dat de zachte fee in tranen uitbarstte: 'Maar zulke schone dingen mogen niet verdwijnen, die moeten bewaard worden.' Ze keek vragend naar haar echtgenoot. Mirandel stond in gedachten, met een diepe frons op zijn voorhoofd. Na een lange stilte sprak hij: 'Kunnen jullie ons naar de rivier, naar de verbrande hoeve brengen?'

De kauwtjes knikten en hierop veranderden tovenaar en fee in bonte vogels. De vijf vlogen over het grote woud, op naar de rivier die heel ver weg gelegen was. Bij nacht bereikten ze het uitgestorven vogelrijk, waar liefde ooit de vogels met elkaar verbonden had. Slechts hier en daar verspreide veren herinnerden aan wat ooit geweest was. De vogels en de zachte fee (die weer fee geworden was) keken naar Mirandel (die weer Mirandel geworden was). Nog nooit had ze haar man zo geconcentreerd gezien. Als iemand iets wilde zeggen zwaaide hij gergerd met zijn handen om ze tot stilte te manen. De frons op zijn voorhoofd was nog dieper dan eerst, terwijl hij gebogen rondliep over het land dat Vogelland was geweest. Hij mompelde in zichzelf en slechts flarden waren hoorbaar: 'Vogelland... verzoening... het schone rijk...' Het gemompel stopte en Mirandels gezicht klaarde op. De tovenaar begon verheugd naar de grond te turen. Gebukt speurde hij de aarde af, raapte zo nu en dan iets op en nadat een uur voorbij was gegaan keerde hij zich naar de fee en de vogels en riep vrolijk: 'Geen verdriet of gekwijn, want Vogelland zal hier voor eeuwig zijn,' De tovenaar hief zijn handen naar de hemel, met de handen in elkaar geklonken. Tussen de vingers en de duimen waren negen veren geklemd. En uit zijn handen, uit de vingertoppen steeg het licht op. Een paarse nevel die zich over het kale, troosteloze gebied uitstrekte. Eerst kroop de nevel over de grond, daarna, via de bomen omhoog. Heel even hing de paarse mist tussen de kale takken van de dode bomen. Want met het einde van Vogelland waren de bomen gestorven. Daarna veranderde de nevel in lange slierten die door de negen veren tussen de vingers en de twee duimen opgezogen werden. De zachte fee keek hem vragend aan.

'Negen veren zullen de geest bewaren. Vogelland zal herrijzen, schoner dan ooit. Een vrijplaats waar vogels zullen rusten, maar tevens zoveel meer dan dat.' Mirandel keek naar de kauwtjes: 'Vertel het aan de vogels. Laat de huizen vertegenwoordigers zenden, opdat ik Vogelland voor eeuwig kan laten herrijzen, een eeuwig toevluchtsoord, een eeuwig rijk van harmonie dat onder de hoede van de vogels vallen zal. Schoner nog dan Feeënwoud, met jouw permissie natuurlijk, mijn lief.' Bij deze laatste woorden wendde hij zich tot zijn wederhelft. De zachte fee knikte stralend: 'Wat mooi, Mirandel, daarvoor verdien je een kus.' Ze ging op haar tenen staan en zoende haar paarse tovenaar.

De drie kauwtjes hipten opgewonden op en neer: 'Ja, ja, we gaan het meteen aan onze grote broers, aan de raven vertellen, o wat mooi, o wat fijn!'

'Niet zo snel!' donderde een zwarte stem. Boven het vijftal hing een duistere wolk tussen de kruinen van de bomen. Een wolk die uit het niets verschenen was: 'Eerst wordt hier iets rechtgezet.'

Voor iemand iets kon doen daalde een vervloeking neer op Mirandel en zijn zachte fee. De kauwtjes kuchten en vlogen op om te ontsnappen aan de verstikkende magische sluier. Toen deze eindelijk optrok waren de tovenaar en de fee er niet meer. Slechts een jongeman en een lelijke toverkol, die siste en grauwde.

De broeder- en zusterschappen van tovenaars en heksen waren al jaren afgunstig op en bang voor Mirandel geweest. Zonder dat hij het wist hadden zij zich met elkaar verbonden. Het was het advies van een onbekende jongeman geweest. Een jongeman, die altijd gehuld ging in een kostuum van zwart met rode tinten. Samen waren ze sterk genoeg om Mirandel met een vergetelheidsspreuk te binden: om de tien jaar zouden Mirandel en zijn fee alles vergeten. Wie ze waren, wat ze waren en bovenal de liefde tussen hen. Want tovenaars hielden in die tijd niet van liefde. Ze hielden alleen van zichzelf en van zwarte toverkunsten, waar de onbekende jongeman een meester in bleek te zijn. 'Misschien evenaarde hij Mirandel wel,' hadden sommigen verontrust gefluisterd. Tot hun leedwezen zou later hun gelijk blijken, want ze hadden een pact met een duivel gesloten. Na de vervloeking zou de jongeman korte metten met de tovenaars en heksen maken, maar wie had toentertijd ooit kunnen verwachten?

De vergetelheidsspreuk kon de band tussen de twee niet vernietigen, al was de band niet langer een liefdesband. Als Wiz en heks leefden ze voort en streden bittere strijd die vele honderden jaren duren zou, totdat zij zichzelf zouden herinneren. De tovenaars verdwenen, werden stuk voor stuk door de jongen over de kling gejaagd en niemand die hem kon weerstreven. Langzamerhand verging het Feeënwoud, want zonder de paarse Magie was er geen leven (maar de feeën waren allang teruggekeerd naar het troonwoud van hun vader).

En zij, die ooit tovenaar en fee waren geweest, leefden en streden voort. Zij werden nooit oud en verloren hun herinneringen om de tien jaar. Zo leefden ze, zonder herinneringen, zonder doel en zonder liefde. Maar de drie kauwtjes, die alles gezien hadden besloten over hen te waken. En van geslacht op geslacht waren er altijd drie van hen die de twee in de gaten hielden. Om zo goed en kwaad zij konden op de strijdende geliefden te passen. Zo zou het misschien voor altijd zijn. Vogelland zou wellicht nooit meer komen, maar de kauwtjes bleven al die eeuwen heel stil hopen. Misschien dat de paarse tovenaar en zijn zachte fee ooit weer zouden weten wie ze waren.'

De veren zwegen. Robin keek naar Wiz en het meisje, maar die hadden slechts oog voor elkaar.

'Jij bent mijn paarse tovenaar'

'En jij bent mijn zachte fee'

Ze kusten elkaar, keken naar Robin, knikten vriendelijk en verdwenen in een paarse wervelwind.

Alleen de drie kauwtjes waren er nog. Ze zaten op de schoorsteenmantel en keken plechtig voor zich uit.

Breng de paarse tovenaar en zijn goede fee de herinneringen en hun liefde terug.

Nou, dat was gelukt.

Te laat om nog naar huis te gaan.

Robin schikte wat dekens en kapotte kussens tot een bed en ging liggen. Ondanks de vele wonderbaarlijke gebeurtenissen viel hij als een blok in slaap.

-het schilderij-

Zijn horloge piepte hem wakker. Het was zes uur 's ochtends. Robin wreef in zijn ogen en keek verwonderd om zich heen. Toen herinnerde hij zich alles, krabbelde overeind en verliet het pand. Met metro en trein ging hij terug naar huis en om kwart over zeven sloop hij zijn slaapkamer binnen. Een half uur later riep zijn moeder hem: 'Robin, wakker worden, tijd om op te staan.'

De dag ging ongemerkt aan hem voorbij. Binnen en buiten schooltijd tuurde Robin naar buiten. Ondanks klachten, waarschuwingen en strafwerk bleef hij afwezig. Hij dagdroomde, piekerde keer op keer over wat er nu eigenlijk gebeurd was. Die heks, dat was de fee en Wiz, dat was de paarse tovenaar. Ja, één plus één was twee.

Neem negen slokken uit de rivier, neem negen veren van de voornaamste vogels, en dan? Wat dan?

Wiz was zonder boe of ba met z'n vriendin vertrokken. Met het verstrijken van de dag begon Robin het steeds meer een rotstreek van zijn vriend te vinden. Ze waren jaren vrienden geweest en dan zoiets. Tovenaar of niet, sommige dingen, zoals je vriend buitensluiten, doe je gewoon niet.

Boven zijn bed hing het schilderij met onderaan vier woorden: 'Voor Robin, van Wiz'. Hij voelde een steek van verraad, verraden door zijn beste vriend, die zomaar verdwenen was en daarna niets van zich liet horen. Hij zou het schilderij van de wand halen. Hij zou nooit meer aan Wiz, het huis aan de rivier en alle andere raadsels denken.

Robin nam het schilderij van de muur. Een heel bekende rilling trok langs zijn ruggegraat, dezelfde rilling die hij tijdens het schoolreisje had gehad. Hij staarde naar het doek, de veroorzaker van de rilling en alles werd duidelijk. De blauwe lijn kronkelde van boven naar beneden. Bovenaan mondde het uit in blauw en onderaan in groen. Waar de lijn stopte, daar was het! Wiz had aangegeven waar Vogelland lag en Robin kon het eindelijk lezen als een open boek. Onbekende dorpjes werden zichtbaar in strepen rood, bruin en paars. Daar, nog een bocht en vervolgens stopte de lijn in de groene bodem die de onderkant van het schilderij besloeg. Ja, daar was Vogelland, daar zouden Wiz en zijn vriendin op hem wachten.

Vanochtend had Robin het huis aan de Amstel afgesloten, de sleutels had hij meegenomen.

Die avond, het was gelukkig vrijdagavond, had hij zijn ouders verteld dat hij een feestje met logeren bij een schoolvriend had. Zijn ouders hadden 'o leuk, van wie, nou veel plezier,' gezegd en Robin was naar het station gefietst. Nog geen uur later liep hij langs de Weesperzijde.

Hij opende de voordeur en liep de trappen op naar de tweede verdieping. Het bovenbos was een ravage. Alle planten waren vertrapt en de aarde was omgewoeld. Ongetwijfeld het werk van de zolderheks. Maar vanaf de kapotgerukte planten bij het raam hadden de drie kauwtjes hem begroet met hun 'ka'. Gevieren gingen ze naar de Amstel, eentje lopend, drie fladderend. Robin haalde negen slokken water uit de rivier en deed ze in een lege fles. Daarna had hij de fiets van Wiz uit de gang gepakt. De kauwtjes waren naar boven en weer terug gevlogen en hadden elk wat van de tweede etage meegenomen. Op de fiets van Wiz waren ze de stad uit gefietst, richting Ouderkerk. Robin trapte en de kauwtjes zaten statig op het stuur, elk met drie veren in de snavel. Tussen Ouderkerk en Amsterdam kwam de schemer. Nog even, nog even en ze zouden bij het groen zijn. De kauwtjes vlogen van het stuur en Robin remde. Hier was het! Hier moest het zijn! Er lag een weiland tussen sloten en prikkeldraad. Was dit Vogelland? Het kon niet anders, toch? Robin klom het hek over en maakte negen kuiltjes in het land. De drie kauwtjes gaven hem de veren en keken toe. In elke kuil werd een veer gelegd, er werd een slok water over gesprenkeld en het geheel werd met aarde bedekt. Na enkele uren kwam de maan tevoorschijn. Ze klom steeds hoger in de hemel totdat het weiland in haar stralenweb gevangen werd. Robin zat temidden van de kring van negen veren, en toen de manestralen het veld beschenen gebeurde er helemaal niets. Robin bleef een uur wachten, terwijl de maan verder klom, maar slechts een zuchtje wind ademde over het gras. Verder gebeurde er helemaal niets. Robin voelde een snik opkomen toen hij overeind kwam.

Niets! Helemaal niets! Wiz had hem een rotstreek geleverd. Hij keek naar de drie kauwtjes maar die waren druk bezig met andere dingen: De een waste zich in een beekje, de ander wroette in de aarde en de derde was op de tak van een boom gevlogen en klapperde met zijn vleugels in het maanlicht.

'Verdomme!' snikte Robin. Diep teleurgesteld verliet hij het weiland, klom op de fiets en reed terug naar de stad. Hij hoorde niet hoe een jubelend lied losbarstte uit duizend vogelkelen. Evenmin voelde hij de blikken van de twee die hem nakeken. De een was paars, de ander had roze ogen.

De volgende dag maakte Robin in een driftbui het schilderij kapot en gooide het samen met alle aantekeningen van oom Gijs weg. Later zou hij daar ontzettende spijt van krijgen, toen hij beroemd kinderboekenschrijver was en zijn inspiratie langzaam maar zeker opdroogde, maar wie had dat ooit kunnen bevroeden?

De weggegooide koffer met verhalen belandde in een vuilniswagen die deze uiteindelijk afleverde bij een gigantische vuilnisbelt, bij het centrale vuilverwerkingsbedrijf. Volgens sommige mensen houdt een onvindbare archivaris bij wat er in en uit de vuilstortplaats gaat: zo schijnt hij de toekomst te kunnen schouwen, maar hij is hoogstwaarschijnlijk een bedenksels van stille novemberavonden.

Wat geen bedenksel is, is dat er iets vreemds gebeurde met het bruine papier met handelingsvoorschriften, dat bovenin de koffer lag. Het was het enige papier van de inhoud, dat Robins oom niet zelf geschreven had. Het was het vel dat ervoor gezorgd had dat zijn oom gestopt was met schrijven.

Na het vertrek van zijn neefje was Gijs achterover in zijn stoel gaan zitten en had een flink stuk van middag en avond heen en weer geschommeld. De pijn in zijn borst knaagde meer dan ooit. Hij wist dat hij niet lang meer te leven had, maar had dit zorgvuldig geheim gehouden.

Vogelland... wat zou daarmee gebeurd zijn? Waar had hij het over? Hij had Vogelland bedacht om de naam van die rivier te verklaren, maar toch, het verhaal was uit zijn mond gevloeid, het was niet van hem geweest.

Gijs knikte peinzend. Hij zou het opschrijven. Net als alle andere verhalen. Hij kwam uit zijn schommelstoel en ging bij zijn bureau aan het open raam zitten. Voor hem stroomde de rivier. Het was een zachte zondagavond in mei en de lucht leek vol verhalen. De zon stond al laag en scheen op de Wetering die tegenover hem in de rivier uitmondde. Gijs glimlachte toen een jongen in een kano aan kwam peddelen en van de Boerenwetering de rivier op voer, richting Ouderkerk. Eigenlijk ideaal, zo'n ding voor in de stad. Robins oom pakte pen en een vel papier en schreef alles op. Over Merelhoeve, over Ravenburcht en al het andere, over Vogelland en hoe het verder ging. Met het opschrijven vloeide het vervolg uit zijn pen. Een uur later leunde hij tevreden achterover: het stond er. Voor vanavond was het welletjes, toch? Of niet? Eigenlijk moest er nog iets in het vervolg liggen. Iets van na de ondergang van Vogelland, iets over de herrijzing van het mooie rijk... maar wat?

Weer keek hij uit zijn raam, hij zag dezelfde kano van de rivier de stad invaren. Waar zou de passagier geweest zijn?

'Wat gebeurde er met de tovenaar? Wat gebeurde er met de paarse tovenaar en zijn zachte fee?' Een stem van buiten sprak door het raam. Nieuwsgierig boog Gijs tot over zijn bureau en keek door het raam naar beneden. Een meisje stond bij de voordeur. Ze leek zijn blik te voelen. Keek omhoog, zwaaide en liep weg nadat ze iets in zijn brievenbus gegooid had. Een paarse tovenaar! Precies wat hij nodig had! Maar, had dat meisje dat gezegd? Droomde hij? Aarzelend kwam hij uit zijn schommelstoel. Gijs liep de trap af naar beneden. Naar de hal. Op de deurmat lag een bruin papier met een groengeschreven zin: 'Handelingsvoorschriften voor het vinden van Vogelland.'

Toen werd Robins oom bang. Was hij gek aan het worden? Was de kanker van zijn longen naar zijn hersenen uitgewoekerd? Had hij dit opgeschreven en op de mat gelegd zonder dat hij het wist? Of er was het iets anders? De tweede gedachte maakte hem nog banger dan de eerste. Misschien was hij wel aan het dood gaan en nu bijna daar, waar schimmen dingen doen die niet voor levenden bestemd zijn. Maar hij wilde nog niet dood. Stoppen, stoppen met verhaal en met dat Vogelland, met alles.

Hij propte alle papieren en het bruine vel in een koffer bij de andere verhalen die hij door de jaren neergepend had en zette deze op zolder. Gijs hijgde en kuchte na de sjouw naar zolder en terug. Hij voelde zich moe en belabberd.

Enkele dagen later begon de stad te veranderen. Gijs merkte het, maar wilde zijn huis niet verlaten. Zelfs niet toen na een jaar zwarte wolken de stad bedekten.

Gijs stierf, maar het bruine papier in de koffer begon te veranderen: de groene inkt liep uit en vormde nieuwe zinnen op het vel. Vreemde zinnen over veren en slokken water, zinnen die wachtten tot ze gelezen waren en door de woedende Robin weggegooid waren. Niemand kreeg het vel ooit nog te zien, want de koffer werd na enkele dagen vernietigd.

Maar voordat de koffer in de verbrandingsoven viel, veranderden de groene zinnen voor de laatste keer. Vlak voor de vlammen het bruine blad verteerden, verschenen groene zinnen die het volgende vertelden: 'De jongste der oude raven voelde zijn ogen breken toen hij de belofte hoorde dat Vogelland weer zou keren. Vlak voor hij stierf werd de raaf echter door een hand gevat en een stem, zo kil en meedogenloos, fluisterde: 'niet als het aan mij ligt, kleine vogel.' Het laatste wat de raaf ervaarde was doodsangst en wanhoop, want de hand die hem gevangen hield behoorde aan iemand die geen dromen had. Aan iemand die geen mens was, maar aan iets dat zoveel gruwelijker was. De raaf probeerde te krassen maar slechts schor gepiep verliet zijn keel. En een man met blond haar en zwarte ogen kneep tot de raaf in zijn hand verpletterde: 'Kleine broer, wij zijn sinds het begin verwant aan jou geweest en toch kozen jullie de foute kant.' Hierop verzwolg hij de vogel, nam diens vorm aan en vloog met schaterend gekras de hemel in. Nee, hij zou de paarse tovenaar en die vreemde vrouw van hem niet vernietigen. De twee zouden blijven leven, opdat Zij zou zien wat er gebeurde met de levende magie. O ja, Zij zou het weten.

Hij was benieuwd wat er met die 'fee' zou gebeuren na de vervloeking. De duivel verfoeide lieflijkheid die naar de Vrouwe stonk. Lieflijkheid en vreemde magie hing om dit wezen heen als een roze sluier. Zijn wraak was zoet. Het lichaam van Isidoor was verworden tot Mirandel en nu tot een geheugenloze geworden. O ja, zij zou het weten. Terwijl de raaf verder vloog in de richting van de conventie van zwarte tovenaars en heksen, kraste hij van plezier: na de vloek op de magiër zou hij de resterende tovenaars en heksen uitroeien. Hij had ze nodig om Mirandel te verrassen. De paarse tovenaar had immers de wilde wijn gedronken en bovenal, die paarse magie... hij kende het niet en het verontrustte hem. Misschien kon Mirandel met diens vreemde tover zijn duistere web wel doorzien. Misschien kon hij de valstrik voelen, als hij hem alleen legde. Maar nu vast niet. Met behulp van de tovenaars zou hij zijn eigen aanwezigheid kunnen verhullen en Mirandel zou hem niet bespeuren. Hij zou de paarse dwarsligger verrassen. Vervolgens zou hij de anderen stuk voor stuk verslinden en daarna zouden de wouden aan de beurt zijn. De raaf maakte zich zorgen over de toenemende aanwezigheid van vreemde wezens in de wouden: zogenaamde elfen, kabouters en wezens als die vreemde vrouw van Mirandel waren gesignaleerd: Feeën. Magische wezens in een wereld waar dat soort magie al lang geleden naar de andere wereld verbannen was. Wonderlijke tover tussen zwarte mensentover. Het meest onrustbarende was dat hij de bron niet kon opsporen. Maar het feit dat ze de bossen bevolkten sprak voor zich. Ongetwijfeld had dat hulpje van haar aan de andere kant van de Barrière iets weten te bewerkstelligen toen hij deze verzegelde. Goed, die slag was voor hun geweest. Wellicht had Forantas iets naar de bossen hier weten te brengen. Maar had hij het woud van Elderan niet vernietigd? Had hij hem niet bijna weten te doden? Als het goed was had Forantas niet lang meer te gaan. Wat die vreemde toverkracht betreft: ditmaal zou hij het structureler en grootser aanpakken. Niet een bosbrand, maar zoveel meer. Er was een idee geboren om mensen op grote schaal bossen te laten kappen om de meest onzinnige redenen. Met recht en trots kon het een duivels plan genoemd worden. Soms zat alles zo ontzettend mee.

Toen Robin wegfietste steeg een jubelend lied op uit het weiland, maar niemand die het hoorde. En niemand die zag hoe midden in het weiland een man en een vrouw liepen. Hij was gehuld in een paarse mantel en zij was zacht als de morgendauw en haar ogen waren roze.

'Vind je het niet zielig voor Robin?'

'Robin krijgt zijn eigen verhalen nog wel,' antwoordde de man, 'ons verhaal en het zijne gaan hier uit elkaar. En gelukkig maar voor Robin, want het verhaal blijft verschrikkelijk gevaarlijk. Wellicht keert de Droomloze terug.'

De zachte fee keek hem aan: 'Hij is toch bij de grote vijver verslagen?'

'Verslagen ja, maar niet vernietigd. Misschien ligt hij nu al als een panter op de loer, wachtend tot hij toe kan slaan. Zijn haat is groter dan wij ons kunnen voorstellen. '

'Maar hij kan Vogelland toch niet zien?'

'Hij vermoedde reeds van het bestaan van Vogelland bij de rivier toen hij het rijk vervloekte en wegborg in een grijze doodssluimer. Met onze komst is Vogelland herrezen en nu ligt Vogelland buiten zijn bereik. Met onze wederkomst is het geclaimd als deel van jouw vaders rijk. Het is de derde en laatste vrijplaats. En wat van de Koning is zal niet door Melchior aanschouwd kunnen worden. Totdat Zij Haar stad verlaten zal. Dan zal Forantas hier de poort openen en kwetsbaar zijn voor de kwade. Maar mijn lief, spoedig moeten we afscheid nemen. De derde is gearriveerd en iemand moet haar begeleiden in het vinden van haar magie.'

Wiz-Mirandel kuste zijn vrouw vaarwel en volgde die nacht nog de rivier naar de grote stad waar hij twee mensen zou ontmoeten. De een was eigenlijk zijn zusje, want ze deelden hun droomnovember-geboortedag en de ander was de laatste hoeder van de stad. Hij die uit de dood was opgestaan en Melchior verslagen had. De laatste fase kwam dichtbij. Hij zou weer in de stad gaan wonen, maar zou niet Mirandel heten. Die naam was veel te bekend en je wist nooit wie meeluisterde. Wiz-Mirandel glimlachte, want hij wist hoe hij zou gaan heten. Geen Ruud of Mirandel, hij zou Wiz blijven.

De zachte fee wachtte in het herrezen onzichtbare Vogelland tot haar geliefde uit het zicht verdwenen was. Daarna verzekerde ze alle vogels en geesten van vogels dat Vogelland veilig voor elk kwaad was en wenkte de drie kauwtjes. Ze veranderde zichzelf in een veertje dat één van de kauwtjes voorzichtig tussen zijn vleugels stak. De vogels vlogen naar het noorden, want een meisje had de nacht tevoor verteld dat de Koning van het Woud zich in het laatste woud teruggetrokken had.




Aanmelden
Gebruikersnaam

Wachtwoord

U kan hier gratis een account aanmaken.

 


Page created in 0,014760 seconds.