Welkom bij Fandata
 Aanmelden  
maandag 19 oktober 2020 
Online databases
· Fandata online
· Online boeken
· Linken
· Downloads
· Kunst

Allerlei
· Zoeken

Kunstgallerij
Boris Valejo
Boris Valejo
 

Taalselectie
Selecteer interface taal:
EngelsNederlands

Boeken online

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Ter beschikking gestelde titels Alle online te lezen titels

Richard Meijer

De Zwarte Kelk

Volledig gedesoriënteerd staarde hij in het duister: waar was hij? Wie was hij? Langzaam daagde het besef dat hij in zijn eigen bed lag, dat hij Ruud was. De wekkerradio gaf kwart voor twee aan. Zijn laken en kussen waren kletsnat terwijl zweet over zijn gezicht droop. Het was bloedheet, maar dat was niet de enige reden voor het transpireren. Een droom, zo beklemmend dat Ruud blijkbaar sneller was wakker geschrokken dan zijn geheugen. Rafelige beelden, gevuld met wind en slagregens, een achtervolgding terwijl klepelgelui in zijn oren dreunde. Na een douche en verversing van het beddengoed kroop hij weer in bed, van slapen kwam echter weinig. De naburige kerkklok sloeg nog vier maal toen hij zich geërgerd op zijn linkerzijde. Om zeven sloeg de radio aan. Hij moest binnenkort naar de dokter en om pillen vragen. Die slapeloosheid leek toe te nemen, met als gevolg dat hij steeds wrakkiger op kantoor verscheen. Zo kon hij die vaste aanstelling wel vergeten. Chagrijnig en misselijk door te weinig slaap nam hij een koude douche, schoor zich en reed naar kantoor. Hij werkte nu bijna een half jaar bij een vleesexportbedrijf in Hilversum. Echt boeiend of uitdagend was het niet, maar ja, wat moest je anders? In ieder geval betaalde het redelijk, maar het was lang niet zeker of hij kon blijven. Over een maand zou men beslissen of hem een contract zou worden aangeboden. Rond halfnegen reed hij de poort door en parkeerde zijn auto in zijn privé parkeerhaven. Niet dat het echt zijn plaats was. Alleen de directieleden hadden hun eigen plaatsen, maar er was een onuitgesproken hiërarchie binnen het bedrijf die maakte dat Ruud de meest verafgelegen ruimte de zijne mocht noemen.

'Goedemorgen.'

'Hoi Ruud, lekker geslapen?'

Josefien, de ochtendreceptioniste, lachte hem vriendelijk toe.

'Gaat wel. En jij?'

'Best, wacht effe, hallo, met Westerveen?' Terwijl ze de telefoon opnam maakte hij zich uit de voeten. Dat verplichte ochtendbabbeltje met de receptioniste begon hem op de zenuwen te werken. Bovendien was ze altijd iets te vriendelijk naar zijn zin. Op zichzelf zou dat niet zo erg zijn geweest, ware het niet dat Josefien een hork van een typegeit was. Ruud besteeg de trappen naar de derde en opende de kamer die hij met twee mannen van middelbare leeftijd deelde. Aan het begin van zijn eerste werkdag had men hem erop gewezen dat roken geen plaats binnen de bedrijfscultuur had. Dat was de eerste irritatie geweest, vervolgens had zijn chef meegedeeld dat het geen pas gaf voor elfen een tweede kopje koffie te vragen. De thermoskan, die hij in de tweede werkweek mee had genomen, had hem een berisping opgeleverd: ‘Of u past zich aan, of ik vrees dat er voor u geen toekomst bij ons bedrijf is weggelegd, mijnheer Nadir.’

Ach, minder nicotine, minder cafeïne, het scheen gezond te zijn. Wat niet gezond was, was de sfeer op de derde. In het bijzonder, op zijn kamer. Zijn twee oudere collega’s hadden hem bepaald niet met open armen binnengehaald. Voor Ruuds aanstelling hadden zij de kamer met z'n tweeën gedeeld en drie was blijkbaar een teveel. 's Ochtends zeiden ze ‘goedemorgen,’ en ‘s avonds ‘tot morgen,’ maar verder negeerden ze hem. Na enkele weken vertelde Josefien dat zijn kamergenoten graag over hem praatten als hij niet in hun nabijheid was. Ruuds negatieve eigenschappen bleken een bron van inspiratie te vormen voor verhalen die breed uitgemeten werden tijdens de dagelijkse lunchpauze, altijd binnen gehoorafstand van de chef van de derde en buiten die van Ruud. Nee, die vaste aanstelling werd met de dag minder waarschijnlijk. Die ochtend was hij de eerste.

'Good morning Ruud’, verscheen in groene letters op de monitor. Met een zucht onderdrukte hij de borrelende wrevels in zijn maag. I&A verdiende ook de marteldood: elke ochtend door een montere computer begroet worden, welke zieke geest had dat bedacht? Om vijf uur groette Ruud Marja, de middagreceptioniste, stapte in zijn auto en reed naar huis. Vroeg naar bed en proberen wat slaap in te halen. Die nacht droomde de junior account manager van de Hilversumse vleesexportfirma Westerveen wederom. Opnieuw klokgelui, nu verrijkt met een penetrante zoete geur die bij het ontwaken in zijn neus bleef kleven. Ruud rekte zich uit en stond op. Eindelijk had hij weer een goede nacht gemaakt, ondanks dat gebeier en dat zoete stinken. In geuren en geluiden dromen was best wel maf. Vrolijk fluitend liep hij naar de douche. Vanuit de spiegel boven de wastafel staarde zijn gezicht hem verbijsterd aan: voorhoofd, wangen en kin zaten onder het bloed dat in dikke druppels naar beneden zakte, In het centrum van het rode masker flikkerden zijn ogen. Jezus, wat zag hij er uit! Geschrokken deinsde hij terug terwijl zijn maag samenkromp. Wat was dat nou? Een bloedneus? Nee, onzin. Je bloedt toch niet naar boven toe? Bovendien zat er geen bloed in zijn neus. Had hij het opgehoest in zijn slaap en was het als een fonteintje neergesprenkeld op zijn gezicht? O God, als het maar geen kanker was. Hij dook onder de douche, spoelde het bloed weg en onderzocht zijn keel met de scheerspiegel. Er was een spoor van bloed te bekennen. Ruud pleegde twee telefoontjes. De eerste naar de zaak om zich ziek te melden en de tweede naar de dokter. Een uur later verliet Ruud de huisartsenpraktijk met een verwijsbriefje voor de poli interne van het streekziekenhuis. De huisarts had niets kunnen vinden, maar bloedingen waren per definitie alarmerend.

In het ziekenhuis werd hij volledig doorgelicht, van onder tot boven, van binnen naar buiten. Pinten bloed werden afgenomen en naar het laboratorium gezonden, orgaancellen werden uit de raarste plekken weggeschraapt en onder de microscoop gelegd. Alle uitslagen waren echter negatief: Ruud leek kerngezond. Of hij wel zeker was dat het bloed was geweest, kon het niet iets anders zijn geweest? Had hij het zich misschien ingebeeld? Uiteindelijk begon hij er zelf aan te twijfelen en besloot de volgende dag maar weer naar kantoor te gaan.

'Goedemorgen.'

'Was je ziek?'

'Een beetje.'

'En dat met dat mooie weer.' Haar samenzweerderige lachje deed Ruud rillen. Wat een hel.

Twee weken verliepen zonder noemenswaardige incidenten. Hij sliep beter dan de afgelopen maanden het geval was geweest en bij het ontwaken was er geen druppel bloed te vinden. Op maandagochtend van de derde week ging het echter mis. Ruud kwam overeind, trok het laken van zich af en zag een enorme vlek terwijl zijn bloederige hand aan het katoen bleef kleven. De spiegel bevestigde zijn angstige vermoeden: niet alleen zijn handen, maar ook zijn gezicht, borst en armen zaten onder het bloed. De internist nodigde hem uit een nachtje ter observatie in het ziekenhuis door te brengen.

Gegil scheurde zijn oogleden van elkaar en slaapdronken keek hij om zich heen.

Dokter!’ Een verpleger rende de zaal uit terwijl zout bloed van Ruuds lippen op zijn tong druppelde. Het bleek niet veel bloed zijn, slechts een dun laagje dat zijn gezicht en handen bedekte. Ruud werd naar een andere vleugel in het ziekenhuis gebracht en weer werden vele tests afgenomen. Ditmaal besloot men Ruud tijdens de slaap te filmen. Uit de opname bleek dat Ruud tijdens zijn tweede Remslaap druppels bloed uit de poriën zweette die zich over het huidoppervlak verspreidden. Het was een onverklaarbaar fenomeen, wellicht een nieuw virus dat de ontdekkers beroemd zou maken. Voor zover men kon vaststellen had het bloed zweten geen schadelijk effect. Ze raadden hem spinazie, peulvruchten en vlees aan om het bloedverlies te compenseren. Na een week werd Ruud uit het ziekenhuis ontslagen. God, het bleef bloedheet in Nederland. Zijn medisch onderzoeksteam had besloten dat hij voorlopig maar ziekteverlof zou moeten nemen tot men het syndroom uitgeplozen had. Ruud vond het niet al ter erg. Het bloeden begon te wennen en wat vakantie voor de doorstane schrik en angsten had hij wel verdiend.

Op zijn eerste vrije maandag begaf Ruud zich naar het winkelcentrum van Hilversum en kocht een plafondventilator bij de Blokker. Vervolgens ging hij naar de Albert Heijn, waar hij inkopen deed voor de rest van de week. Thuis laadde hij koel- en voorraadkast vol en installeerde de wentelwiek in zijn slaapkamer. Als hij minder zou zweten in zijn slaap zou het bloeden misschien stoppen. Hij bloedde nu gemiddeld om de drie a vier dagen, twee nachten achter elkaar. Na een week thuis gezeten te hebben begon Ruud zich te vervelen. Leuk hoor, ziekteverlof, maar hij had het nu wel gehad. Hij woonde nog maar kort in Hilversum en kende weinig mensen. Bij de buurvrouw was hij gisteren op de koffie geweest en dat was niet voor herhaling vatbaar. Wat had dat mens hem de oren van het hoofd geklept! Aan een stuk door ratelden totaal onzinnige verhalen over de andere buren uit haar mond. Langs gaan bij je buren was überhaupt al een wanhoopsdaad geweest, maar zijn lesje had hij nu wel geleerd. God, wat kon thuiszitten dodelijk saai zijn. Wat zou hij vandaag eens gaan doen? Lid worden van de bibliotheek, of gewoon zelf een boek kopen? Maar hij had helemaal geen zin om te lezen. Uit louter verveling begon hij maar het huis schoon te maken. Keukenkastjes uitruimen en poetsen, ramen lappen, stofzuigen en natuurlijk de boekenkast uitruimen en afstoffen, lekker fris! In zijn boekenkast stuitte Ruud op een doos met een stapeltje schriften dat hij in geen jaren gezien had. Het waren de dagboeken uit de middelbare schooltijd. Jezus, wat was hij productief geweest! Liefst dertien dikke schriften waren volledig volgepend met verslagen uit de stroom des levens. Vanaf het brugklaskamp tot tijdens het eerste jaar van zijn studententijd waren alle dagen keurig beschreven. Daarna was het plots gestopt, van de ene dag op de andere, zonder dat hij precies wist waarom. Zonde eigenlijk, bedacht Ruud terwijl hij met de buit naar de ligstoel in de tuin liep. De rest van de dag onder de parasol zwelgen met de dagboeken. Niet alleen gebeurtenissen en gedachten van de dagen bleken genoteerd, sommige stukjes behandelden de gevoelens en belevenissen van de nachten. Tussen de aantekeningen over vriendjes, inzichten en verbazing over gevoelens, stonden zijn belangrijkste dromen. Altijd met rode pen. Ruud ging nog eens verzitten en bladerde door de notities. Een verbazingwekkende hoeveelheid beelden fladderde die middag langs zijn geestesoog. Elke dag die hij las kon hij zich herinneren. Zelfs de brugklasnotities, met de woorden in schoolschrift aan elkaar, riepen herinneringen van die dagen op, compleet met schaamte, uitbundigheid en het allereerste liefdesverdriet. De dromen zeiden hem daarentegen nauwelijks iets. Sommige leken erg mooi, maar herinneren deed hij ze niet. Daar was weer zo'n stukje rood: 'Vannacht gedroomd met geuren. Ik was omringd door rozen en hun geuren bedwelmden me. Uit het niets kwam een man in zwarte kleren, zonder gezicht, die me een roos gaf. Toen werd ik wakker en zweette ontzettend.'

Vreemd. Ook wel eng. Die man in zwarte kleren... nu kwam er wel een fragment bovendrijven. Was hij die niet vaker tegengekomen? Ruud las verder en bereikte het dagboek van zijn zeventiende: 'Kwam in een kasteel en zag ritueel in grote zaal. Een kasteel? Ik wist dat het kwaad was en rende weg, want iemand wilde mij hebben. Achter me klonk gelach en ik word nog banger. Dan weg uit kasteel en tegenover me staan drie vrouwen. Ik vraag om bescherming. Dan komt de man in het zwart. Hij lacht en de vrouwen verstijven door zijn lach. Hun hoofden worden ballonnen en laten de schouders los. Ze zweven weg in de lucht. Ik word wakker en ruik bloemen.'

Wat zou Jung hier van zeggen? Een terugkerende man in het zwart, tiens tiens. Ruud bladerde verder terwijl de uren verstreken. In de loop van de avond bereikte hij het laatste schrift. Het dagboek van zijn twintigste, toen hij net met de HEAO begonnen was. Achter in het boek was nog één stukje rode tekst: 'Vannacht een verschrikkelijke nachtmerrie. Ik ben in een woud, omringd door rozen. Ik heb een ouderwetse bokaal in mijn handen. Tegenover me staat een man in het zwart, zonder gezicht. Hij zegt dat ik zal blijven en dat ik moet drinken. Dan gooi ik de beker weg en ren weg door de bloemen (rood). Achter me zingt zijn stem als onweer, ik merk dat ik niet meer kan rennen en word doodsbang - ik word wakker en ben kletsnat.' Ruud sloot het schrift en ging naar het toilet. Hij voelde huiveringen door zijn lichaam trekken. Nu wist hij weer waarom hij zijn dromen was vergeten. Doodsbang was hij geweest, dagen van slag door de nachtmerrie, bang droom en werkelijkheid niet meer uit elkaar te kunnen houden. Nachten waren slapeloos voorbij gegaan, nachten vol van angst. Angst voor dromen, angst voor het duister. Goddank was het met het verloop van tijd weggetrokken. Wel was hij gestopt met het schrijven, want dat trainde het geheugen en hij moest vergeten.

Na het toiletbezoek keek Ruud op de klok. Het was alweer negen uur. Hij voelde het knorren van zijn maag en maakte wat brood klaar. Tijdens het smeren van de boterhammen liepen de zweetdruppeltjes van zijn voorhoofd. Het was de heetste zomer die hij zich kon herinneren. Rond middernacht deed hij de televisie uit en ging naar bed. Hij viel in slaap en kwam in een verschrikkelijke droom terecht. Hij stond op een verschroeide akker aan de rand van een bos. Het was een benauwde, zwaarbewolkte dag. Op een kilometer afstand waren de contouren van een stad zichtbaar. Ondanks de afstand was het continue gebeier van de klokken hoorbaar, alsof hij op het kerkplein stond.

'Bevalt het uitzicht je?' Naast hem stond de man in het zwart, zonder gezicht. 'Je bloed stribbelt nog tegen, maar ik ben al in je.'

'Wie bent u?'

'Mijn naam zal je snel genoeg te weten komen. Misschien is het wel het laatste dat je zult horen.' Lachend liep de man weg en de geur van rozen vulde Ruuds droom, een zware, zoete geur. Het waren niet slechts rozen, daaronder bevond zich iets anders, iets rottends. Ruud lag stijf in zijn bed en voelde dat zijn lichaam van top tot teen vochtig was. Hij deed het nachtlampje aan en zag een enorme plas bloed. Met een gil sprong hij uit bed, douchen, snel. De waterstraal water spoot het bloed van hem af. Ruud droogde zich af, maar durfde niet terug naar de bloederige slaapkamer. MTV zond vierentwintig uur per dag uit, goddank.

Zijn internist knikte. ‘Logisch gezien klopt het. Hm, het bloeden vindt plaats tijdens een Remslaap en een intense droom brengt intensiever bloeden met zich mee. Uitermate fascinerend en romantisch. ‘Bloed en dromen`, dat klinkt als een sprookje, wat jij?’

‘Jezus, ik durf niet meer te slapen! Ik schrok me rot van die nachtmerrie en dan ook nog eens een sloot bloed. Vandaag of morgen ga ik dood aan een hartaanval!’

‘Zo'n vaart zal dat niet lopen, maar ik zal je een slaapmiddel voorschrijven. Dat gaat het herinneren van dromen tegen, meer kan ik helaas niet doen. Je wordt binnenkort besproken op een congres in Heidelberg: ‘The case of R. Nadir: REM and temporal bleeding.’ Leuk, nietwaar?’

‘Fantastisch,’ mompelde Ruud. Met een recept voor slaappillen verliet hij het ziekenhuis. Daar kon je op rekenen zeg; dokters, na de politie je beste vriend. Morgen zou hij op zoek gaan naar een natuurgenezer, een hypnotiseur of iets anders alternatiefs.`s Avonds nam Ruud een slaappil die hem minstens twaalf uur onder zeil zou houden. Helaas voor Ruud hield het goedje zijn dromen niet tegen. Misschien had het herlezen van de oude dromen iets geactiveerd dat niet meer terug te draaien was. Misschien was het bloeden een prelude geweest op wat komen zou. Misschien ook gingen de twee wel samen. In ieder geval droomde Ruud die nacht de gruwelijkste droom van zijn leven. Terug op de verschroeide akker, ditmaal wist hij echter dat hij droomde. Angstig keek Ruud om zich heen en ontwaarde een heuvel die hem de vorige keer ontgaan was. Op de heuvel stond een zwarte toren die half in puin lag.

‘Aanschouw je nieuwe thuis.’Links van hem, de gezichtsloze. 'Vannacht is de nacht. Vannacht gaat het gebeuren. Mijn sterren spreken vol verwachting. Het bloed voelt goed, het bloed is van mij, wat jij? Ik heb de macht! Ik ben de macht! De wilde wijn is bedorven en Isidoor zal leven!' De man danste om hem heen, zijn lange benen in de lucht, de knieën ter hoogte van het gehuifde gezicht.

'Wie ben jij!' Hij greep de onbekende bij de schouders en tuurde onder de kap, maar daar was slechts duisternis. Een stenen lach beukte tegen Ruuds trommelvlies en twee handen grepen zijn polsen. Met een schreeuw sprong hij achteruit en omklemde zijn polsen, die in vlammen gevat leken.

'Dat was de eerste en laatste keer dat je mij vastpakte. Ieder ander zou ter plekke gestorven zijn.'

'Hoe kan ik in een droom zoveel pijn voelen?,’ mompelde Ruud, ‘ik wil wakker worden, ik wil weg, nu.'

‘Ruik Ruud, ruik en zie, daar komen ze!’

De zware geur van rozen en rotting sloeg tegen zijn gehemelte en deed hem kokhalzen. Een groep monniken betrad de stadskant van de akker. Ze schuifelden voort in de richting van de toren en zongen gebeden. Ondanks de relatieve afstand kon hij de monniken zien. Ze droegen rode pijen met kransen van rozen. Eén van hen wankelde en viel om, het uitgeteerde gezicht vol zwarte vlekken. Naarmate de monniken naderbij kwamen werd de geur van rotting sterker. Ruud verstarde toen zijn hersenen uit de feiten de enig juiste conclusie trokken: in zijn droom heerste de pest.

‘Precies Ruud! Wellicht zien we elkaar in de hel, waar mij een troon wacht!’

Duisternis.

Zijn hoofd, wat deed dat pijn. Alsof hij liters jenever gezopen had. Hij zou wel weer onder het bloed zitten. Zijn slaapkamer was donker. Hij naar het lichtknopje, maar kon niets vinden. Het rode licht van de klok was gedoofd. Stroomstoornis, ook dat nog. Ruud probeerde overeind te komen en voelde een vlammende pijn door zijn lichaam schieten die gevolgd werd door een reutelende hoest. Bloed welde op uit zijn longen en stroomde in zijn mond. Mijn God, hij moest naar het ziekenhuis. Toen de hoestbui voorbij was spuwde Ruud het bloed uit en kwam heel voorzichtig overeind. Wat had hij om? Een wollen deken? Het was om te stikken! Nu pas merkte hij dat zijn slaapkamer in het geheel niet op zijn slaapkamer leek. Ruud strompelde naar de flauwe lichtstrook die door een kier naar binnen viel, een deur. Met een uiterste krachtsinspanning wist hij deze open te duwen. Zonlicht viel naar binnen, raakte en verblindde hem, zodat hij zijn ogen moest dichtknijpen. Na enkele seconden raakte hij echter aan het licht gewend. Eerst de ogen als spleetjes geopend, maar snel was Ruud genoeg gewend om de omgeving op te nemen. Daar lag de stad uit zijn dromen. Hij was dus nog aan het dromen. Nou, dan zou de zwart geklede ook wel weer opduiken. Zijn blik viel op zijn lichaam, dat gehuld bleek in een zwarte mantel waarvan de kap om zijn hoofd sloot. Met een angstig voorgevoel stak hij zijn armen uit: ze waren vol zwarte vlekken. Het waren zijn armen niet, evenmin als de rest van het lichaam. Het was dat van de ander.

‘Meester, heeft de slaap u opgemonterd? Hoe kunnen wij u van dienst zijn? Wij hebben een kind geroofd en geslacht. Een verse zuigeling voor uw ontbijt. Een gezond kind, vrij van de Plaag, wel te verstaan!’

Aan de voet van de heuvel stonden twee gebochelde gedrochten met een bloederige klont vlees tussen hen in. Ruud huiverde. 'Wie zijn jullie?'

'Maar meester, heeft de koorts uw zinnen aangetast?' (Klonk er hoop in die stemmen?) 'Wij zijn het, Olech en Mezial, uw dienaren.’

‘Juist ja,’ deze droom wordt steeds bizarder, bedacht Ruud zich, ‘en ik ben...’

‘Isidoor! De meest gevreesde, de meest kundige der duistere magisters. Isidoor de zwarte, Isidoor de kinderverslinder, Isidoor, de Gesel van Miran, de vloek van de Keizer.’

‘Juist en dat is...’ hij wees naar de stad voor hem. Olech en Mezial keken elkaar verbaasd aan en toen weer naar Ruud. 'Miran natuurlijk! Miran, gehalveerd door de zwarte dood, de ziekte die u na het eten van besmet vlees trof. Waar u ongetwijfeld een remedie tegen vindt alvorens de pest u van het leven zal beroven.'

Olech gaf Mezial een por: ‘Pas op je woorden dwaas, straks ben je een bochel rijker.’

Mezial keek angstig naar Ruud en grijnsde zijn gele slagtanden bloot: ‘Ik wed dat de zwarte dood hem eindelijk in zijn kaken heeft. Isidoor, ik beëindig mijn onvrijwillige dienstbetrekking, wat dacht je daarvan?’

Olech kromp ineen en staarde met wanhopige angst naar Ruud. Deze staarde een beetje verdwaasd terug. Wat een vreemde droom. Hij moest nu maar eens wakker worden en contact opnemen met een psychiater.

‘Zie je wel? Hij kan niets meer!’ Olech en Mezial begonnen te grinniken en klommen de heuvel op

‘Nu wil ik wakker worden. Ik tel tot drie en dan ben ik wakker. Eén, twee en...’

Olechs vuist trof hem in de maag, waarop Ruud dubbel klapte. ‘Daar! En daar! En hier!’ De twee sloegen en schopten hem waar ze konden. Een sluier van pijn nam bezit van Ruuds gezicht, maar door de sluier hoorde hij Mezials stem: ‘Straks slaan we hem dood en de geest van de magiër vindt zijn moordenaar. We laten hem hier rotten, dan sterft hij vanzelf aan de pest.’

‘Prima, maar eerst nog even dit.’

Ruud voelde een trap tegen zijn gezicht en verloor het bewustzijn. Toen hij weer bij kennis kwam lag hij in de modder. Ruud kreunde en met veel moeite wist hij overeind te komen. Wankelend stond hij op zijn benen die hem nauwelijks konden dragen. Waar had hij dit aan verdiend? Het bloeden, de nachtmerries en nu het niet wakker worden. Hadden ze hem soms LSD in plaats van slaappillen gegeven? Voordat hij hier verder over na kon denken schrok hij op van het mannengezang: 'De Gesel heeft de pest over ons gebracht, dood aan de Gesel.' De monniken marcheerden over de dode akker en ontwaarden Ruud: 'Daar! Daar staat de Gesel! Dood aan de Gesel!'

Snel kwamen ze in zijn richting. Droom of niet, die klappen van daarnet hadden gemeen pijn gedaan en nu moest hij toch maar maken dat hij weg kwam. Ruud strompelde om de toren heen en daalde aan de andere kant de heuvel af. Op zo'n honderd meter afstand lag het woud. Half struikelend holde hij naar de bosrand, terwijl de zwarte kleren om hem heen fladderden. Hard ging het echter niet, elke stap veroorzaakte vlammende pijnscheuten en zijn lichaam stond op het punt van instorten. De monniken haalden hem in, maar deinsden achteruit toen ze de staat van zijn lichaam zagen.

'De Gesel is getroffen door de Zwarte Dood. Stenigt hem! Stenigt hem tot de dood volgt!'

'Achtenswaardige broeder, het is alom bekend dat de hand die de magiër doodt zelf niet lang te gaan heeft.'

De eerste spreker, die juist een grote kei ter hand genomen had, aarzelde. 'Hm, dat is zo, is het niet?'

'Bovendien is de pest al in een gevorderd stadium, kijk hoe hij er uitziet.'

'Hm, ja, niet al te best, niet?'

'Waarom laten we de ziekte niet haar heilloze, maar in dit geval niet al te heilloze, werk doen?'

De monniken beraadslaagden, keken nog eens naar de zieke en knikten: 'Goed, duistere Gesel, we laten je aan je boze meesters over. Moge God erbarmen hebben met je gitzwarte ziel. Maar reken er maar niet al te veel op.' Vrolijk pratend liepen de monniken naar de toren. Ruud ving flarden van hun gesprek op: ‘Bolwerk. Kwaad…. louteren.’ Terwijl Ruud naar de rand van het woud kroop zag hij de toren in brand vliegen. Tevreden mompelend marcheerden de monniken richting Miran. Ruud viel opnieuw in slaap, vurig hopend dat hij nu eindelijk in zijn eigen bed zou mogen ontwaken. Hij ontwaakte door een bloederige hoestaanval, nog altijd aan de rand van het woud. Shit, het ging maar door met die waanbeelden. Wanhoop sloeg toe: zou hij krankzinnig zijn geworden en zou dit waanzin zijn? Misschien was die ander, die om de een of andere onbegrijpelijke reden Isidoor genoemd werd, zijn onbewuste dat zijn persoonlijkheid overgenomen had. Misschien zat hij wel in zijn eigen onbewuste vast. Ruud maakte de zwarte mantel los en opende het zwarte wambuis eronder. Het lichaam was lang en gespierd, maar volledig bedekt met zwarte pestvlekken. Wat was deze droom gedetailleerd zeg! Mocht hij er ooit uit ontwaken, dan zou hij die apotheker eens goed de oren wassen. Ruud raakte er van overtuigd dat hij een fout middel had gekregen. Dit moest een LSD-trip zijn, of erger.

‘Als iemand me maar vindt en me naar een sanatorium brengt,' peinsde hij hardop, 'stel je voor dat ik iemand of mezelf kwaad aandoe in deze toestand, of dat ik uitdroog.’

Achter hem klonk iets wat op gefluister leek. Ruud keek op en zag niets. Uit de richting van het geluid deinden wat struiken en grashalmen, maar die konden niet fluisteren, toch? Het beetje energie dat de slaap had opgeleverd was verbruikt en Ruud voelde de slaap naderen. Terwijl hij insliep maakte het aangevreten lichaam zich klaar voor de dood, maar vlak voor het einde ontwaakte Ruud ontwaakte in een vreemde koortsdroom. Hij was nog altijd in het vreemde lichaam, op de vreemde plaats, in de vreemde tijd, toen onzichtbare handen zijn stervende lichaam streelden. Ze verkoelden de hitte van de koorts en veegden de pestvlekken weg. Hij kon niet overeind komen, noch om zich heen kijken, maar zijn oren werden gevuld met een stem die vertelde dat Isidoor de tovenaar het verderf over de wereld had uitgeroepen. Dat hij de pest naar Miran had gebracht, maar door zijn slordigheid zelf eveneens besmet geraakt was. Dankzij de krachtigste droommagie had hij zich door de tijd kunnen verplaatsen, door de Barrière tussen de twee werelden. Daar had hij een lichaamsruil bewerkstelligd met een argeloos slachtoffer dat hij al jaren in de gaten hield. Thans bevond Isidoor zich in Ruuds gezonde lichaam aan de andere zijde en zijn slachtoffer zat vastgeklonken in het creperende lichaam van de tovenaar. Voor zijn vertrek had Isidoor zijn gruwel losgelaten: de wortels van de wereld had hij besmet met een gif dat de wereld zou doen wegrotten. Deze wereld was verloren, tenzij er iets zou gebeuren. De fluisteringen waren echter niet aan Ruud besteed. Hij kon alleen maar aan zijn eigen ongeluk denken: 'Ik wil mijn lichaam terug, ik wil naar huis!'

'Misschien kan het, maar de weg zal zwaar zijn.'

'Hoe?'

'Bloed is een wilde wijn die drie wensen toestaat:

Eén wens die betrekking heeft op de dromen.

Eén wens die betrekking heeft op de tijd.

Eén wens die betrekking heeft op de aarde.

Doch, eerst moet de tocht die het bloed drinken met zich meebrengt afgelegd worden en reeds velen bezweken tijdens deze tocht.'

Ruud ontwaakte en keek om zich heen. Het was ochtend. Het woud rook fris en zoet, de vogels maakten kabaal in de bomen. Hij kwam overeind en schudde de slaap uit zijn hoofd. De herinnering aan de droom stond hem glas helder bij. Hij bekeek zijn lichaam dat vrij van de sporen van de pest was, de koorts was eveneens verdwenen, maar hij bevond zich nog altijd bij de bosrand. Het was geen aanval van waanzin, of het gevolg van een foute medicatie, Isidoor bestond echt en had zijn lichaam afgepakt. Ruud probeerde zijn gedachten op een rijtje te zetten. Waarom had Isidoor het juist op zijn lichaam voorzien? Ruud had geen flauw idee, maar wist wel dat hij het er niet bij zou laten zitten. Isidoor had macht verworven. Macht die de tovenaar in staat gesteld had om Ruuds lichaam te stelen. Het moest te maken hebben met dat vreemde couplet. Hoe ging het ook alweer?

‘Bloed is een wilde wijn die drie wensen toestaat:

Eén wens die betrekking heeft op de dromen.

Eén wens die betrekking heeft op de tijd.

Eén wens die betrekking heeft op de aarde.’

Weer het bloed dat terug kwam. Bloed in raadsels, bloed in zijn dromen en bloed op zijn gezicht. Er was een verband, hij wist het zeker. Zijn maag attendeerde hem op het feit dat de laatste maaltijd al erg lang geleden genuttigd was. Ja, honger, eten. Maar waar vind je dat? Op goed geluk liep Ruud het bos in. Hij volgde een wildpaadje dat hem verder van de stad en Isidoors toren voerde, dieper het woud in. Naarmate Ruud verder liep leek het woud mooier te worden. De bomen weken uit elkaar, zodat meer zonlicht door het gebladerte kon komen. De grond golfde licht en de bruine bosbodem was bedekt met wuivende varenbosjes tussen de bladeren. Hier en daar schoot een eekhoorntje, en zo nu en dan een hertje weg.

‘Reerug, dat is erg lekker.’ Ruud watertandde bij de gedachte aan wild. Zie dat maar eens te pakken te krijgen. Voor hem klonk het geruis van water. Waar water was zouden misschien ook vruchtenbomen zijn. Ruud baande zich een weg door de varens in de richting van het geruis. Even later stond hij aan de rand van een snel stromend beekje. Hij knielde en proefde het water. Bossmaak, lekker. Helaas waren er geen bessenstruiken of perenbomen te bekennen, slechts enkel wilgen negen naar het water. Het knorren van Ruuds maag nam toe. Misschien kon hij knollen gaan opgraven, maar waar? Terwijl Ruud wanhopig naar een middel voor het stillen van zijn honger zocht, klonk er geritsel in het woud. Hij keek op en honderd meter verderop staarde een konijntje nieuwsgierig naar de man bij de beek.

‘Jou lust ik ook wel vriendje.’Tijdens het uitspreken van de woorden wees hij naar het beest. Uit zijn handen golfde een lichtflits die zich met een luide knal en zo'n kracht van zijn hand losmaakte dat hij achterover in het gras viel. Het licht trof het konijn, dat met een luide gil brandend opvloog om bewegingloos ter aarde te storten. Ongelovig keek hij naar het geroosterde konijnenlichaam en onderwierp zijn vinger aan een inspectie, maar deze bleef een doodgewone vinger. Het konijn was verkoold, alsof het door een vlammenwerper gestreeld was. Hij maakte er niet veel gedachten aan vuil, want de lucht van gebakken vlees kietelde zijn neus. Ruud scheurde een poot van het dode konijntje, haalde zo goed en kwaad als het ging het vel eraf en propte het halfrauwe vlees in zijn mond. Driekwart konijn later boerde hij tevreden en liet zich in het gras vallen. De rest zou hij voor het ontbijt bewaren. Getsie, hij zat natuurlijk onder het bloed. Ruud kwam weer overeind en bekeek zijn rode handen. Toen hij zijn handen in het water stopte weerspiegelde een gezicht in het stromende water. Met een gil deinsde hij terug, tot hij besefte dat dit gezicht bij dit lichaam hoorde. Voor het eerst zag hij het gezicht van Isidoor. Het zat onder het konijnenbloed, wat ervoor zorgde dat de helle ogen venijnig terugstaarden. Ruud raakte gefascineerd door het uiterlijk en bleef kijken. Best wel een mooie kerel, die Isidoor. Diepblauwe ogen en zwart haar, zeker een aparte combinatie. Tenminste, zo'n kleur zwart van haar en ogen had hij nog nooit eerder gezien. Zo vreemd blauw. Helblauw. Blauwer dan de hemel. Blauw van zo'n lichte kleur dat je bleef kijken. En daaronder die ingevallen wangen, door de Pest natuurlijk, en een hoog voorhoofd met zwarte wenkbrauwen. Ja, Isidoor was uitgesproken knap. Het water stroomde steeds langzamer en bleef stilstaan. De golfjes en rimpelingen waren tot een stil oppervlak geworden, maar Ruud had niets in de gaten. Gebiologeerd staarde hij naar het gezicht tegenover hem. Isidoors spiegelbeeld was niet Ruuds spiegelbeeld, maar ook niet van Isidoor. Het kwam tot leven in het stille water en werd echt. Pas toen zijn spiegelbeeld grijnsde en de lippen woorden vormden ontwaakte Ruud uit de betovering:

‘Bloed is een wilde wijn die drie wensen toestaat:

Eén wens die betrekking heeft op de dromen.

Eén wens die betrekking heeft op de tijd.

Eén wens die betrekking heeft op de aarde.

Maar hij die het bloed drinkt wordt overgeleverd aan de zwaarste stormen van de waan en slechts weinigen hebben dat overleefd. Pas goed op, Ruud, wellicht heb je een kleine kans.’ Het spiegelbeeld glimlachte weg en verdween in de golven van de beek die opnieuw begon te stromen.

‘Isidoor bloeddrinker, Isidoor duistere tovenaar...’ echode het in het geruis van het water. De zwarte tovenaar had het geheim van het bloed achterhaald en daarmee Ruud te grazen weten te nemen. Er was maar één manier om terug te komen. Ruud moest net als Isidoor de wilde wijn drinken. Doodsangst schoot door hem heen, alsof hij een verboden gedachte had gehad die alles in zijn angstgeheugen had weten te alarmeren. Toen zijn spiegelbeeld tegen hem begon te praten, leek het of er een sluier opgetrokken werd: ergens was een Kelk die het levende bloed bevatte, een Kelk die beheerd werd door de koning van het woud. Hoe wist hij deze dingen? In zijn hoofd voelde Ruud drie vrouwen glimlachen, maar het was meteen weer verdwenen. De drievoudige glimlach maakte plaats voor een laatste inzicht: 'Ga naar het hart van het woud, waar geen mensen komen. Luister naar onze stemmen en je zult het vinden.'

De volgende ochtend verorberde hij het resterende konijn en ging op pad. Weg van de beek, in de richting waar de bomen weer dichter bij elkaar kwamen. Tussen het gebladerte lag een bult. Nieuwsgierig liep Ruud naar de ophoging en slaakte een gil van schrik. Het waren lijken! Doodsbang keek hij om zich heen, maar het woud was stil. Zelfs de wind was verdwenen. De bomen kraakten in de stilte en maakten hem nog angstiger. Maar met wegrennen schoot hij niets op, want waar kon hij heen? Weer keek hij naar de dode lichamen en zag dat de hoofden van de rompen gescheiden waren. Twee hoofden met de monden en ogen in doodsangst opengesperd. Die koppen kende hij nog wel, al was de kennismaking van korte duur geweest: Olech en Mezial. Hij huiverde en maakte dat hij weg kwam. Naarmate hij verder liep werd het woud weer donkerder en dichter, zonder dat er een weg of wildpad te bekennen was. Slechts bomen die de grond bedekten. Maar Ruud wist zijn weg tussen de bomen feilloos te vinden. Steeds als hij twijfelde hoorde hij een stem in zijn hoofd die hem de goede kant op leidde. Dieper en dieper liet hij zich door de stemmen het woud in brengen. De bomen leken weer verder uit elkaar te gaan. Er ontstond steeds meer ruimte tussen de bomen en er kwam meer licht door de bladeren. Totdat de bomen zover uit elkaar stonden dat er een open plek in het woud ontstond. Hij was bij een driesprong aangekomen. Drie wegen kwamen bijeen op de open plek. Het ene pad was drassig en er stonden plasjes water in de modderbodem. Het tweede was koel en zwart, vanaf het derde kwam een briesje hem tegemoet. Hij bekeek de drie richtingen en wachtte tot het stemmetje in zijn hoofd sprak: 'Het pad van aarde zal je op de juiste plek brengen.'

Het pad van aarde. Alle paden waren van aarde. Of niet? Nee, het ene pad had water, het andere had lucht. Ruud ging het donkere pad op en achter hem verdwenen de twee andere. Waar eerst paden waren geweest, groeiden nu dorenhagen met punten die een man konden doorboren. Tegen het vallen van de avond scheen een groen licht aan het einde van de weg. Groen licht, waar vaalwitte stroken doorheen braken. Het pad stopte en midden in het woud bevond zich een moeras. Het rook er naar rotting en verval en midden in het water stond een kasteel met vensters waar vuil, wit licht uit scheen dat groen kleurde in de fosforescerende moerasgassen. Het was het merkwaardigste kasteel dat Ruud ooit gezien had. Het was niet uit steen gemaakt, het kasteel bestond uit grote bomen waar vensters in gegroeid waren, evenals een grote poort midden in een brede eik. Maar de bomen leken stervende, temidden van de stinkende walmen van het moeras. Het kasteel was ten dode opgeschreven. Toen Ruud van zijn zoveelste verbazing bekomen was schraapte hij zijn keel: 'Hallo?''

Niemand antwoordde. Al wat er gebeurde was een vaag oplichten van het witte schijnsel. Maar dat kon verbeelding zijn.

'Hallo?' Probeerde Ruud opnieuw. Nu ging de poort knarsend open en over een smalle brug, die het kasteel in het moeras met de bosrand verbond, kwamen drie mannen op hem af. Zij waren blond. Het lange haar wapperde om de gezichten waar bittere woede in te lezen was. Ze waren gewapend met schild en slagzwaard en kwamen snel nabij.

‘Schenner! Je zult boeten voor je wreedheid en verderf!’

Ze waren niet ver meer van hem verwijderd en Ruud begon toch wel wat ongerust te worden: ‘Eh... heren, ik ehm...’

Terwijl ze dichterbij kwamen was de woede steeds duidelijker en heviger van hun gezichten af te lezen. Drie zwaarden werden geheven, Ruud draaide zich om en begon weg te rennen. Toen klonk er een stem, een ruis over het moeras.

‘Wacht.’ Ruud keek naar de poort, waar een vrouw stond. ‘De Koning wil hem spreken.’

‘Hem?’ De mannen blikten onzeker naar elkaar en vervolgens naar de vrouw. Toen richtten alle blikken zich op Ruud. De middelste man noodde hem aarzelend met zijn schild: ‘Kom verder, de Koning schijnt je welkom te heten.’

Ruud liep het bruggetje op en moest zijn mouw voor zijn mond houden om niet te stikken in de bijtende dampen van het moeras. De vrouw liet de drie mannen en Ruud passeren en sloot de poort.

‘Welkom. Ruud, is het niet?’

‘U bent één van die stemmen in mijn hoofd.’

‘Mijn naam is Kundire. Mijn zusters en ik hebben je hierheen geleid. Maar kom snel verder. Alles zal je spoedig duidelijk worden.’ Kundire pakte hem bij de hand en nam hem mee naar een grote zaal, terwijl de drie mannen, met het zwaard ontbloot, volgden. Ook van binnen bestond het kasteel uit bomen, maar alles leek even treurig en vervallen. Toen ze de grote zaal binnengingen straalde het vervuilde licht hem tegemoet, maar waar het vandaan kwam kon Ruud niet zien. De hele zaal leek in het licht gehuld. Aan het andere einde van de zaal stond een groot bed. Twee vrouwen stonden aan weerskanten en in het bed lag een man. Hij had ragfijn zilver haar, ogen als rimpelende vijvers en een mond van vaalgroene lippen. ‘Kom nabij, mijn ogen zijn troebel en mijn blik reikt niet ver.’ De stem was zwak, maar zoet en vol van melodieën. Het was de mooiste stem die hij ooit gehoord had, zelfs nu er zoveel pijn doorheen klonk. Vanuit het bed keken de waterogen hem aan. Na enige tijd sprak de bladgroene mond tot Kundire die zich naast Ruud had geschaard: ‘Voorwaar, het is niet langer Isidoor in dit lichaam. Jij en je zusters hadden gelijk.’ Kundire knikte zwijgend. De man in het bed richtte zich weer tot Ruud: ‘Welkom... Ruud, is het niet? Welkom in mijn kasteel. Mijn naam is Forantas. Ik ben de Koning van het Woud. Kundire heb je reeds ontmoet en dit zijn haar zusters Viarna en Repanse.’ De twee knikten hem toe. ‘Zij proberen mijn leven te verlengen en mijn lijden te verzachten.’ Forantas trok het laken dat zijn borst bedekte weg en toonde Ruud een verband. Door het verband was groen vocht zichtbaar. 'Ik ben verwond met een dodelijk gif dat door mijn lichaam raast. De magie die jouw lichaam van de pest genas rekt mijn leven, maar kan mij niet genezen. De lans was gedoopt in het enige gif dat mij kan doden en droeg het bederf dat het slot en de wortels van de wereld getroffen heeft. Nog leef ik en houd ik stand, maar spoedig zal ik sterven. Met mij zullen woud en wereld vergaan, de overlevenden zullen worden geknecht door het kwaad. Slechts het opheffen van de vloek zal het gif uit mijn lichaam doen verdwijnen en de wereld redden.’

Ruud staarde de Koning aan, vol verbazing en onbegrip. Wat was hier in godsnaam aan de hand? De Koning wilde meer zeggen maar een scheurende hoest ontnam hem de adem. Hij hoestte bloed op.

‘Spaar uw laatste krachten, laat mij het uitleggen. Wij zijn sinds lang de raadsvrouwen van de Koning. Onze echtgenoten heb je reeds ontmoet. Zij beschermen het kasteel, doch zijn niet tegen duistere magie opgewassen. Ragnar is mijn gade en zijn zwaardslag is onovertroffen.’ De middelste man knikte. ‘Aan zijn zijde staan Daleg en Serafir, de moedigsten onder de ridders. Zij zijn gehuwd met mijn zusters.’ Het werd meer en meer een aflevering van Prins Valiant, bedacht Ruud zich. ‘Aangenaam.’

De ridders knikten zwijgend terug. Ze namen hem argwanend op, nog niet overtuigd van Ruuds onschuldige aanwezigheid in het lichaam van de verderfer. Kundire vervolgde: ‘Maar de tijd dringt, want de Koning zal spoedig sterven, luister aandachtig en onderbreek mij niet. Als ik klaar ben mag je vragen stellen en dien je een beslissing te nemen. Ga je hiermee akkoord?’

‘Eh...’

‘Forantas is de koning van het woud, alle bosbewoners luisteren naar hem en respecteren hem. Zijn eerste taak is het bewaren van de bokaal die gevuld is met het levend bloed, dat in contact met de Kiem staat. Dit bloed bevat het bewustzijn van de essentiële magie en gidst de Kiem Hij riep zijn levend slot temidden van het meer en veranderde het woud in een doolhof vol illusies, waarin iedereen verdwaalt. Slechts wij, drie zusters en drie ridders, vonden de weg naar het slot, want wij waren geroepen om de Koning bij te staan en de vrede in het woud te bewaren. In die jaren behoedde Forantas de Kelk, en zo de Kiem, die deel van de wereld uitmaakt. Onderwijl luisterden wij naar de elementen en waakten met hen over het woud. Maar niemand verwachtte het kwaad vanuit Miran. Niemand bedacht dat het kwaad alleen zou komen, in een onherkenbare gedaante. Het kwaad vestigde zich in een toren aan de rand van het woud en bracht de pest over Miran. Het voedde zich met het leed dat de ziekte teweegbracht en werd almaar sterker. Toen werd het kwaad, dat schuil ging in een zwarte tovenaar, verrast en besmet door de ziekte. Maar de tovenaar lachte en zag het als een teken: de tijd was gekomen om het hart van het woud te bezoeken. De deuren van het slot vlogen open en Isidoor kwam de zaal binnen. Hij steunde zwaar op een staf en ging gebukt onder de pest. Maar vastberaden hinkte hij voort tot de troon van Forantas, daar waar nu het bed geplaatst is, en wees met zijn staf naar onze heer. Onze gaden ontblootten hun zwaarden en kwamen nabij, maar Forantas was verbaasd en benieuwd naar wat deze vreemde in het zwart gehulde magiër te vertellen had. Forantas had Isidoor nog nooit gezien en kende het wezen van de tovenaar niet.

‘Forantas, ik ben gekomen,’ donderde zijn stem door de zaal, ‘lang heb ik naar het slot gezocht en nog langer duurde het eer ik het raadsel van het woud oploste. Maar het lukte en eindelijk staan wij dan oog in oog. Aanschouw mijn lichaam, Forantas.’ Hij spreidde zijn armen en deze waren net als zijn gezicht aangevreten door de pest. ‘Wellicht heeft mijn vlees nog een dag of twee te gaan, maar het draagt mijn magie welke thans krachtiger is dan de uwe. En U, vervloekte woudkoning, bent in het bezit van mijn redding, die tevens tot uw verderf zal leiden.’ Isidoor zwaaide, en de Kelk werd zichtbaar. De drie ridders schaarden zich met ontbloot staal om de zuil, bereid te vechten en te sterven.

‘Wie bent u?’ De Koning rees uit zijn troon. ‘Waar komt Uw haat vandaan?’

‘Ik verlies de hoffelijkheid uit het oog. Laat ik mij aan u voorstellen.’ De tovenaar glimlachte duister en maakte een halve buiging. ‘Mijn naam is Isidoor en ik sta bekend als 'de Gesel van Miran.' Tevens ben ik uw gezworen tegenstander.’

Forantas’ blik opende Isidoors geest en toen pas herkende de Koning het kwaad, te laat. De Koning was van zijn stuk gebracht en aarzelde een fractie van een seconde. Daarna weefde hij zijn tover, maar het was al te laat. Isidoor wierp zijn staf, die in een zwarte speer veranderde en Forantas vol in de borst trof. De Koning viel uit de troon en stortte ter aarde. Onze mannen snelden naar Isidoor om hem te doden, terwijl wij ons naar de Koning spoedden. Maar met een machtig gebaar verstarde Isidoor ons allen en hulpeloos moesten wij toezien hoe hij naar de zuil in het centrum van de zaal schreed. Op de zuil stond, onzichtbaar voor mensenogen, de Kelk. Hij hief deze, bracht hem aan zijn lippen en dronk. Toen zette hij de Kelk terug en ook Isidoor verstarde. Niemand weet hoelang het moment duurde, een seconde of een etmaal. In ieder geval kwam Isidoor weer in beweging, terwijl wij verlamd bleven. De gouden Kelk veranderde van kleur. Hij werd zwart en in de Graal veranderde het levende bloed. Het bedierf, werd grauw, besmet met een ziekte, getroffen door een vloek. De tovenaar lachte spottend: ‘Zo verwerf ik het recht op de drie wensen. De wens die betrekking heeft op de aarde heb ik niet nodig. Forantas, ik schenk hem jou en de jouwen.’ Terstond veranderde het meer in een moeras dat giftige dampen uitbraakte. Nog eenmaal klonk Isidoors hoongelach. De tovenaar verliet het slot, terwijl de giftige nevels de zaal binnendrongen. Onze verlamming verdween, we konden weer bewegen. Dankzij onze band met de elementen wisten wij de dampen uit het slot te bannen en onze Koning in leven te houden. Maar de Koning was zwaar gewond en het gif woekerde in zijn borst: hetzelfde gif dat het meer en het bloed in de Kelk aantastte en deed bederven. Dit gif zorgt ervoor dat de wond niet kan helen en Forantas ondragelijke pijnen lijden moet. De ridders stormden naar hun paarden en ijlden door het woud, naar Miran, om de tovenaar te achterhalen. Wellicht kon hij gedwongen worden het kwaad te keren. Het was een ondoordachte daad, maar wanhoop is een slechte raadgever. Aan de rand van het bos zagen zij Isidoor die door monniken belaagd werd en voor hen vluchtte. Dit was hoogst merkwaardig, de machtigste zwarte tovenaar, op de vlucht voor monniken? Onze echtgenoten overlegden en besloten terug te keren om van het vreemde schouwspel te verhalen. Op weg naar het kasteel werden zij overvallen door twee gedrochten. Maar deze wezens bleken te zwak voor de drie ridders en verloren hun hoofd in de strijd. Toen wij hoorden van het vreemde schouwspel en de locatie van Isidoors toren, zonden mijn zusters en ik onze gedachten naar de bosrand troffen jou aan. Je was stervende. Door je dromen, herinneringen en gedachten te lezen ontdekten we Isidoors kunstwerk: de magie die hij uit de twee wensen wist te smeden bracht hem door dromen naar een andere tijd, maar tevens naar een wereld die de onze niet is. Een wereld die wij alleen maar uit jouw gedachten kennen.’

‘Ik ken haar.' Forantas hief zijn hoofd en zijn groene lippen fluisterden: 'Ooit waren de twee werelden niet gescheiden, misschien zullen zij ooit opnieuw samen komen.’

‘Ik heb al meer dan tien jaar geleden dromen over Isidoor gehad... en over jullie. Hoe kan dat dan?’

Kundire legde het uit: ‘Je bloed stribbelde tegen, begrepen wij uit je herinneringen. Tijd speelde in Isidoors droommagie geen rol. Wat voor jou een periode van jaren besloeg, was voor hem nog geen halve dag. Maar dat je over ons droomde, dat is mij een raadsel.’

Forantas fluisterde: ‘Het is de magie in je lichaam, er sluimert tover in jou, Ruud. Daarom koos Isidoor jouw lichaam in een wereld die arm is aan magie. Een wereld waaruit deze verjaagd werd. Hij wilde het lichaam van een onbewuste magiër bezitten, om zo daarginds macht te verwerven, want magie huist zowel in het lichaam als in de geest. Hij heeft zijn wensen gebruikt om door tijd en door dromen te reizen. Over de Barrière, naar een tijd waar een grote tovenaar zeer machtig zou kunnen zijn mits deze het goede lichaam zou bezitten. Jouw lichaam was geschikt en zo kon hij overleven, want hij was niet in staat om met zijn zwarte tover zijn ziekte te genezen. Wij konden het echter wel.’ De Koning zakte terug in het bed. De zusters bezagen het met angst en zorg: ‘Hij gaat snel achteruit, maak voort.’

Kundire keek Ruud in de ogen en haar stem drong zijn lichaam binnen: ‘Jij bent de enige die in staat is het proces te keren. Jouw lichaam is het lichaam dat aan de verderfer toebehoorde. Het heeft bewezen de stormen van de wilde wijn te kunnen weerstaan. Maar of je ziel het eveneens kan, is onbekend. Nu het bloed tot gif verworden is, raast het woedender dan ooit. Tot nu toe hebben we de Kiem in stand weten te houden. De wereld is nog niet bewust van de ramp die het slot van Forantas getroffen heeft. Als hij sterft zal de wereld net als het levende bloed worden, woest en giftig. En dan zal deze wereld ten ondergaan. Of erger: alles zal bederven en onze wereld zal door het kwaad geknecht worden. Jij bent de enige hoop en wellicht is het je enige kans om terug te keren. Kun je het? Durf je het bloed te drinken en naar het oog van de storm gaan?’

Ruud aarzelde. Wat nu? Gif drinken? Doodgaan? Hij opende zijn mond om bedenktijd te vragen, maar zijn woorden volgden zijn gedachten niet. Zijn hoofd knikte als vanzelf: ‘Waar is de kelk?’

‘Kom.’ Forantas wenkte en Ruud boog naar het gezicht van de stervende koning. Twee wijsvingers raakten zijn voorhoofd aan. ‘Niet in bezit van Isidoors duistere magie, maar wel van het lichaam dat zo gewend is aan tover. Je moet iets gemerkt hebben.’

Ruud dacht aan het konijn en knikte.

‘Diep in je sluimert magie. Isidoor vergiste zich. Bij de ruil verliet de essentie met jou je lichaam. Isidoors vergissing is de laatste hoop. Jouw essentie, jouw magie, ontwaakt in een vaardig lichaam. Besef het en zie.’

Ruud draaide zich om. In het midden van de zaal stond een zuil die gemaakt leek uit stralend wit: de laatste levende magie die Forantas en zijn slot in leven hield. Maar de witte stralen waren vuil. De Kelk was zwart. Eenmaal nog keek Ruud naar de drie mannen, naar de zusters en naar de koning. Toen liep hij naar de pilaar, nam de Kelk tussen zijn handen en keek erin: hij was halfgevuld met een zwart en grauwgroen borrelend vocht. Ach, wat kon hij anders? Zijn lichaam had kennelijk al voor hem besloten.

‘Een helft voor Isidoor, de andere voor mij,’ mompelde Ruud en ledigde de Kelk in één teug. Trillend plaatste hij de beker op de zuil. De innerlijke magie -dezelfde die hem had doen instemmen het bloed te drinken- vloog in razende vaart naar het centrum, om de bedorven wilde wijn te ontmoeten. Zijn lichaam en geest hadden magie geherbergd zonder dat hij ooit een gedachte verder in die richting had laten gaan dan een flirt met de Tarot en de I Tjing. Magie, zo sterk aanwezig, zo voelbaar en tastbaar. Ruud voelde hoe de innerlijke magie het bedorven bloed bereikte. De twee spatten uiteen in een alomvattend kleurenspectrum. Forantas en de zes bewaarders verstarden, maar de vloer van het kasteel begon te golven en brak. Van onder de grond welde het water op, want het kasteel maakte plaats voor de zee. Dit was teveel voor Ruud, die voelde hoe zijn ogen in de kassen draaiden en zijn hersenen bekeken. De grote reis was begonnen.

De storm

Om hem heen stroomde het water, golvend zeewater dat aanzwol en zich over het zand uitspreidde. Voor hem lag de oneindige oceaan. Achter hem waren zwarte duinen. Boven het water brandde de maan en onder het strand rommelde de aarde. Het was dood tij, maar spoedig zou de vloed komen. De golven kwamen en gingen zonder geluid. Nergens was geluid, behalve het gerommel onder hem dat overging in geruis en gemompel. Ruud keek naar de maan. Het licht brandde zo fel dat hij zijn ogen moest afschermen. Hij keek naar de golven en zag duizenden ogen terugstaren. Toen week de zee en twee torens stegen uit het water. Een was zwart, de ander wit. Tussen de torens hing de maan, eerst op een afstand, maar snel kwam ze naderbij tot ze zich tussen de torens bevond. Het licht deed zijn ogen pijn, maar Ruud kon zijn blik niet afwenden. De maan trilde hevig en zweette lichtgroene druppels bloed, negen druppels die van de bol dropen en in de zee vielen. Toen zij het water raakten, kwam de vloed. Maar het bloed was bedorven geweest. Als het de zee bevruchtte, konden dan niet slechts monsters geboren worden? Het antwoord rees uit het water. Een reus met een jakhalskop: ‘Ik ben de eerste God van dood en dromen. Ik ben de wachter op de grens, de God van de schemer. Aan mijn voeten verscheuren mijn kinderen zij, die mijn naam niet kennen.’ Een horde jakhalzen rende over de golven naar het strand, de gele tanden ontbloot.

‘Weet jij mijn naam?’

Met wijdopen mond, de kin praktisch op zijn borst, staarde Ruud naar de aanstormende jakhalzen. Weer wist zijn lichaam voor hem te handelen en hij knikte.

‘Hoe dan luidt mijn naam?’

Ruud noemde de naam van de Jakhals, de naam die uit zijn solar plexus, daar waar de onderste ribben samenkomen, opsteeg. Een naam die hij nooit eerder gehoord had. Of wel? In die film over het leven van Mozes, met Charlton Heston en Yul Brinner? Maar deze gedachtesprong ging verloren in het bulderend gehuil van de Jakhalsgod.

‘Met mijn naam verdien je mijn gunst.’ Hierop wees de reus naar beneden. De aarde rommelde en mompelde sterker en sterker, begon meer en meer te trillen, tot de rand tussen strand en zee openscheurde en een monsterlijke zeekreeft met klapperende scharen uit de diepte kwam gekropen.

‘De oerangst is mijn gunst,’ donderde de stem van de Jakhals. Met zijn scharen scheurde de kever Ruuds borst open en vulde deze met vloeiende angst. Ruud krijste het uit, hij kon slechts doodsangst beleven en herbeleven. Maar er was meer: in de doodsangst was pure waanzin verborgen. Terwijl hij gillend in het zand stortte, schoten talloze beelden aan hem voorbij. Hij voelde, beleefde stromen van water vol met kadavers van mens en dier, de huilende horde jakhalzen die zich op de lijken stortten, de man in het zwart

-Isidoor- die hem door droomwouden achtervolgde, grijnzende vrouwen waarvan de hoofden in ballonnen veranderden, herinneringen, herbelevingen van nachtmerries. Maar in de afgrond van wanhoop, waanzin en angst werd Ruud andere beelden gewaar. Tussen de nachtmerries door flitste het verhaal van een meisje dat in een vijver de duivel durft te trotseren. Van twee kleuters, kristallen dansers en speeltuinen. En Ruuds laatste restje bewustzijn klampte zich aan de verhalen vast. Toen kwam een hand, koel als die van Forantas. De hand streelde zacht en de storm van nachtmerries kalmeerde langzaam maar zeker. De angst trok met de zee weg en hoop volgde haar op. Ooit zou de lenteregen een stad redden en een rivier zou vol van leven en liefde zijn.

‘Ooit zal de paarse tovenaar gelukkig zijn met zijn zachte fee, ooit zal de Sterrenweide verrijzen en getuigen van de triomf van goed over kwaad. De nacht zal fonkelen en schitteren als de stralendste zomerdag.’ De stem fluisterde door zijn lichaam. Ruud slaakte een diepe zucht waar opluchting en verdriet uit spraken. Hij was niet langer bang, maar treurig, diep bedroefd zonder te begrijpen waar het verdriet vandaan kwam. Hij opende zijn ogen: de zee, het strand en de maan waren verdwenen. Evenals de Jakhalsgod en de Zeekreeft. Ruud stond op de top van een berg, tussen wolken die tevens andere bergpieken omgaven. Het begon te waaien. Niet uit één richting, maar uit alle hoeken zwol de wind aan tot storm. Boven het geraas uit brulde een stem: ‘In het centrum van de stormen draait het Rad van Leven en Dood! Verleden, heden en toekomst worden hier geboren en zijn hier aanwezig, in het Wiel van de Wereld en de Tijd, daar waar de Heren der Winden wonen. Het verhaal gaat dat de Heren door een bliksemschicht verslagen werden en Vaders van de harpijen moesten worden. Andere verhalen vertellen dat een de vorm van een krokodil aannam en de Messias versloeg. Maar het zijn allemaal verhalen, verzinsels. Een van de Heren zou nu het Rad tussen zijn schouders dragen in het middelpunt van de wereld. Maar waarom zou een Windheer zoiets doen? Wat is waar en wat is verzonnen? Verhalen overleven alle tijden, maar wie kan dat weerstaan?’ Uit de gewesten sneden zwaarden van blauw staal met koperen gevesten. Het oostelijke zwaard doorkliefde Ruuds hoofd. Het zwaard van het westen sneed door zijn hals en deed zijn adem naar buiten gieren. De pijn die het noordelijke zwaard teweegbracht was nog vele malen erger, het kliefde zijn hart in tweeën. Het laatste zwaard ging door zijn ruggengraat en Ruud zag zijn benen het begeven. Na de droom van waanzin en doodsangst ervoer hij het sterven. Bloed gulpte over zijn lippen en hals. Uit zijn oren stroomde bloed via zijn wangen en ze voegden zich bij de bloedrivier die uit zijn keel gutste. Zijn ogen braken, maar Ruud was niet bang. Opnieuw roerde het centrum van zijn lichaam zich. Vanaf daar, waar de onderste ribben samenkomen, rees een paarse zon die eerder een hand geweest was. En zijn stem fluisterde in zijn hoofd: ‘Elk zwaard is een illusie, die dodelijk is als je eraan toegeeft. Maar elk zwaard herbergt een verhaal. Verhalen die lang geleden hebben plaatsgevonden en verhalen die nog zullen plaatsvinden, want zij zijn als de lucht en kunnen de tijd in alle richtingen doorkruisen. Wie niet toegeeft aan de illusie van pijn en luistert, kan alle verhalen horen en begrijpen. Wie naar de verhalen luistert, zal inzicht verwerven.' De paarse zon begon helderder te stralen. Hij scheen door Ruuds lichaam en de zwaarden. In het schijnsel van de paarse zon veranderde het staal in verhalen. Onbegrijpelijke verhalen fluisterden van een meisje dat problemen in bloemen kon veranderen. Van de onmetelijke droefheid van een kind dat niet begreep dat ze in vlammen was opgegaan. Een klein meisje dat na haar dood om haar moeder bleef roepen, totdat iemand haar in slaap suste. Een ander verhaal vertelde over een jongen, die in verwarring en verbijstering van een dak geblazen werd en neerstortte. Toen huilde Ruud en hij bleef huilen tot de tranen zijn ogen verblindden. De zwaarden uit de windstreken waren verhalen geworden die buiten de tijd stonden. Vertellingen die door de tijd reisden, om aan een ieder die luisterde te vertellen van wat geweest was en wat zou komen. Terwijl Ruud huilde, voelden de tranen weldadig aan. Ze wasten de pijn van de zwaarden weg. Huilen nam de droefheid weg, het verdriet troostte en kalmeerde hem. Na lange tijd, toen de laatste tranen vergoten waren, veegde hij zijn ogen droog en keek om zich heen. De bergen en wolken waren verdwenen. Ze hadden plaatsgemaakt voor het kasteel dat uit levende bomen was opgetrokken. Hij was terug in de troonzaal. De zusters en de ridders stonden rond het bed van Forantas, maar leken hem niet op te merken.

‘Gelukt! Het is me gelukt! Ik heb de wilde wijn gedronken en ik heb de storm overleefd!’

Niemand reageerde. De zes staarden verslagen naar de roerloze Forantas. Kundire draaide haar hoofd en in haar ogen was doffe wanhoop te zien: ‘Je hebt het bederf weliswaar doorstaan, maar je hebt het niet kunnen keren. Forantas is gestorven, de bedorven magie zal de wereld vernietigen.’

Naast Ruud kolkte en bruiste de zwarte Kelk, het bedorven bloed schuimde over de rand. Terwijl het vocht de Kelk overspoelde begon het kasteel te trillen. Het trillen ging over in een schudden, het schudden nam snel toe en werd een aardbeving. De grote bomen van het paleis vielen met donderend geraas neer. Ze vielen in de zaal en verpletterden Forantas en zijn getrouwen. Het slot verging en duizenden bomenkreten vergezelden de ondergang. Nadat het geraas en de doodskreten weggestorven waren zonken de restanten van het slot naar de bodem van het moeras. De moerasbodem scheurde open en verzwolg de bomen en de mensen.

Hoeveel tijd was sindsdien verstreken? Hij had geen flauw idee, maar blijkbaar had hij het einde overleefd. Ruud opende zijn ogen en kreeg de vloeibare massa van het moeras op zijn netvlies. Het brandde, het deed pijn. Hij opende zijn mond om te schreeuwen en naar adem te happen, maar hij ademde drabbige aarde in plaats van lucht. Hij verslikte zich, proestte en kotste de vloeibare grond uit, voor zover dat tenminste ging. Ruud kon zich nauwelijks verroeren, hij was onder de resten en het moeras begraven. Koortsachtig, met al zijn kracht, probeerde hij zich naar boven te worstelen en wist zijn armen enkele centimeters te bewegen. Maar de vloeiende aarde gaf niet mee, de massa was veel te zwaar. De kleine ruimte die hem in staat had gesteld door zijn neus te ademen, verdween door zijn bewegingen. De laatste lucht was nu verdwenen en Ruud raakte in paniek: hij was aan het stikken! Op dat moment bereikte het gruwelijke besef zijn bewustzijn: hij was al gestorven. Dood en begraven zou hij eeuwig blijven stikken. Krampachtig snakte hij naar adem, maar kreeg slechts meer aarde binnen. Zijn paarse zon! De kracht die de zwaarden had veranderd. Maar dat was tijdens de stormreis van de wilde wijn geweest. Dit was de werkelijkheid.

‘O ja?’

‘Niet?’

‘Na beproevingen van water en lucht blijkt de aarde haar eigen drog te kennen, want ook dood is een illusie. Dit is de laatste keer dat ik je help. Forantas heeft je verteld dat jouw magie ontwaakt, dus kun je er gebruik van maken.’ De stem zong in Ruuds hoofd en werd een lied dat zijn vlees veranderde en een met de aarde maakte. De aarde werd koel en vol van leven. Leven, uit water geschapen en tot wasdom gekomen in de aarde. Het lied vertelde over de grote wouden van de wereld, de geheime tuinen, van waaruit de Kiem der Wonderen de wereld leven schonk. Het leven dat door de hand van Forantas geleid en behoed werd. Het lied vertelde over toekomstige nieuwe wouden, bossen vol magie in de eerste wereld. Over onrust en ergernis bij een duivel. Het lied zong van de grootste tovenaar die een kasteel bouwde in de wouden en een geheime tuin zou scheppen en dat vele wouden zouden verdwijnen. Maar de laatste stad zou nieuwe tuinen brengen. Die ene stad, daar waar Ruud ooit gewoond had en waar hij ooit opnieuw zou wonen, ofschoon dat nog jaren duren zou. De stad die met de overlevende wouden het kwaad zou weerstaan. Het magische centrum, van waaruit de werelden weer tot elkaar zouden komen. Het lied veranderde in een droom die hem uit de aarde stuwde. Hij kroop uit een enorme molshoop aan de rand van het bos, bij de toren van Isidoor. Ruud zette zich schrap aan de voet van de heuvel en wachtte; hij wist wat komen zou. De deur van de toren opende. De Gesel van Miran stond in de opening: ‘Toch gekomen? Je hebt meer in je mars dan verwacht werd.’ Met een sprong belandde Isidoor vlak voor Ruud. ‘Hoe vind je de wereld? Naast de beproevingen van de stormen heb ik het bloed een vierde meegegeven. Laten we het de beproeving van het bederf noemen!’

‘Of keerde het vuur terug naar de oorsprong?’

Isidoor schudde zijn donkere manen en zijn zwarte ogen schitterden. Zwart? Ze waren toch blauw geweest? De tovenaar toonde Ruud zijn wolvengrijns: ‘Over vuur had het bloed niets te zeggen! Het vuur was immer van ons! Maar vuur zal jou vernietigen, het vuur van verrotting. Het bloed is bedorven door de tegenhanger en dat is onomkeerbaar.’ Isidoor spreidde de zwarte mantel en zijn blonde haren -blond? - wapperden over zijn schouders. Hij was veel mooier dan Ruud zich herinnerde, zoveel mooier dan in de weerspiegeling van de beek. Plotsklaps was de ander verdwenen. Hij werd vervangen door een wolk klapwiekende vleugels die zich op Ruud stortten en hem met razende kracht aanvlogen. Daar waar de vlerken hem raakten vatte zijn huid vlam en het vuur vrat zich naar binnen. De vlammen leken hem echter niet te deren; de jongen bleef onverstoorbaar en bekeek de zwarte vleugels geïnteresseerd. Maar zij waren niet volledig zwart: er schemerde een rode glans door de veren heen. Ruud begon in de veren en het vuur een glimp van de waarheid te zien. Niet Isidoor had het bloed bedorven. Nee, Isidoor was slechts een voertuig geweest. Een instrument van iemand die oneindig veel machtiger was. Het bloed van de Kelk was levend. Het was immers het bewustzijn van de Kiem der Wonderen: de magie die de tweede schepping had gebracht. Om dit levende bloed, de scheppende kracht te verzuren was een tegenhanger in de krochten van de aarde gewrocht: het antibloed, het gif dat alles bedierf. Uit de Rune, die de Barrière was geworden, waren de druppels van het antibloed voortgesproten. Druppels die de wilde wijn bedorven hadden. Rune? Antibloed? Waar had hij het over? Hij schudde de gedachten weg en richtte zijn aandacht op zijn vijand. Ruud stond in lichterlaaie, maar de pijn deerde hem nog steeds niet. Hij sloot zijn vlammende ogen en droomde een droom van de zee bij nacht, met een brandende maan erboven. De zee slurpte het leven uit het vuur en doofde Ruuds huid, die paars geworden was. Toen opende hij zijn ogen en zag de man in het zwart. De rode glans speelde nu zichtbaar, opgewonden door de donkere mantel. De ander strekte zijn hand, die een klauw bleek. Uit de klauwvingers spoten vlammen naar Ruuds gezicht. Hierop bedacht Ruud vier stormen uit vier windrichtingen. De stormen kwamen samen en joegen de zee naar de zwartgeklede, die brulde: ‘Brand en sterf! Brand, dwaas!’

Het water van de paarse tovenaar stortte zich op Isidoor. Maar het vuur van de ander siste en brandde het weg. Achter Ruud zwol de storm aan. De storm bracht de vloedgolf die de wateren verbond en tot een maalstroom maakte. De ogen van Isidoor, die Isidoor niet was, keken Ruud aan. In het koolzwart was onsterfelijke haat geschreven: ‘Niemand die mij vernietigt! Zeker geen mens zonder naam en zonder titel. Wie denk je wel dat je bent? Niemand kan mij weerhouden! De Koning niet en jij zeker niet! Het bloed is bedorven en zo ook deze wereld.’

‘Woorden, leeg en hol. Het bloed was nooit voor jou bestemd. Je weerstond de storm zodat de wensen werden gegeven, maar het bloed streefde met alle macht naar reiniging en de enige zuivering is te vinden in jouw verdrijving. Je zult de wereld nimmermeer kunnen betreden.’ De maalstroom zoog de aarde weg en met de bodem werd de zwarte magiër verzwolgen. Wind en water stuwden zand en aarde naar het gat waar hij in weggezonken was. De put waar de Gesel van Miran in gevallen was werd gedempt en het kwaad stierf weg in de maalstroom. Toen de boze verdween klonk een rauwe kreet uit het bloed en Ruud huiverde. Hij voelde diep medelijden dat overging in treurnis, in verdriet, even groot als tijdens de verhalen van de winden. Onverklaarbaar verdriet. Waarom deed de overwinning zoveel pijn? Hij kon niet huilen, maar hortende snikken schraapten stroef langs zijn keel. Waarom werd hij zo triest door de dood van het kwaad?

‘Want de nacht zal nooit meer duisternis kennen, maar schijnen als een blauwe diamant.’

Ruud opende zijn ogen. Voor hem doorscheen de gouden Kelk de zaal, stralend als de zon. De Kelk was leeg. Het levende bloed was via hem voorgoed deel van de wereld geworden. De eerste magie was in hem en in de aarde verzonken. Ruud bekeek zijn lichaam. Hij was naakt.

‘Nachten zonder duisternis, tovenaar?’

Hij keek op en zag Forantas naderen. De Koning van het Woud was groot, schoon en krachtig nu het gif verdreven was. Meer dan twee meter lang was hij, met een kroon van zilveren haren die zelfs meer verhalen fluisterden dan Ruuds dromen hadden gekend. De ogen van de Koning waren vijvers die de wateren van werelden herbergden en zijn mond glimlachte met groene lippen.

'Ooit zal de duisternis verdreven worden en de nacht zal dan schijnen. U weet het.' Ruud knielde voor de Koning van het Woud. Forantas nam de groene mantel van zijn schouders en sloeg deze om het lichaam van de ander. Het kleed kleurde paars en werd tot het kleed van een magiër. 'Ooit, tovenaar, ooit zal het geschieden.' De Koning nam de magiër bij zijn armen, hielp hem overeind en keek hem in de ogen. In de vijverogen van de Koning spiegelde het gezicht dat ooit aan Isidoor had toebehoord: nog altijd aantrekkelijk, maar de scherpe lijnen waren zachter geworden en de haren waren niet langer zwart, maar wit. De meest merkwaardige metamorfose was echter in de ogen te zien. Zij waren niet langer helblauw, maar van een kleur paars die naar lila neigde. Dezelfde tint als het kleed om zijn schouders, de kleur die door het kasteel en in het woud scheen. Want het bloed was gereinigd met magie die paars gekleurd was.

Toen keek Forantas naar zijn zes getrouwen: 'Aanschouw de komst van de paarse magiër.' Zij huilden van opluchting nu het bederf uit slot en bos verdwenen was. Kundire nam het gezicht van de paarse tovenaar in haar handen en kuste hem op beide wangen: 'Dankjewel Ruud, je hebt de wereld gered.'

Hij keek haar aan en schudde zijn hoofd: 'Nee. Niet langer Ruud. Vanaf dit moment zal ik Mirandel heten. Naar Miran, waar Isidoor de Pest wekte om stad en wereld te vernietigen. Miran, van waaruit het kwaad is opgedoken.'

De zusters fronsten: 'Is dat geen boos omen?' Opnieuw schudde de tovenaar zijn hoofd. Forantas sloot Mirandels lippen met zijn wijsvinger en sprak zonder stem. Maar de tovenaar hoorde de Koning van het Woud helder in zijn hoofd. 'Het bloed heeft je meer dan drie wensen geschonken. Het zuiverde je nieuwe lichaam van de sporen van het kwaad en vulde het met geheime kennis. Maar niemand mag vermoedens koesteren die de Vrouwe zouden kunnen schaden, dus vergeet en wees onwetend zoals ook ik onwetend ben, Mirandel.'

'Ook over de Isidoor die ik achter de stormen ontmoette? De Isidoor die niet meer op Isidoor leek? De Isidoor die Isidoor niet is?'

'Vergeet hem zeker, je zult de Droomloze snel genoeg ontmoeten, vrees ik.'

Mirandel knikte en vergat. Forantas wendde zich tot zijn getrouwen: 'Het kwaad was in Isidoor en ging met hem over de Barrière tussen de werelden. Met gemak, want de Barrière is uit dezelfde essentie voortgekomen. Isidoor was van mening dat het bederf onomkeerbaar was en hongerde naar macht en genezing van zijn lichaam. Te snel ging hij naar de andere zijde. Slechts duivels en de grootste magiërs kunnen over de Barrière gaan. Doch de magiërs hebben het levende bloed nodig, de wilde wijn, die echter via Isidoor en Mirandel in de wortels van het woud gezonken en voorgoed deel van onze wereld geworden is. Nu het kwaad verdwenen is, is mijn taak hier volbracht. Ik zal over de Barrière gaan, want daar, in de wereld die arm is aan magie, wacht de voltooiing. Wanneer ik de grens tussen twee werelden overschrijd, zal ik deze verzegelen. Daarna zal de Barrière voor mens, duivel en tovenaar gesloten zijn. Aan u laat ik de zorg over mijn slot en de wouden. Wilt u deze laatste taak voor mij vervullen?'

De zes knikten aarzelend. Toen richtte Forantas zich wederom tot Mirandel: 'En jij, grootste der magiërs? Wat zal jij doen? Blijf je hier, waar de magie veilig is?'

'Ik zal ook over de Barrière gaan.'

Forantas knikte: 'Ik ben je eeuwig erkentelijk, tovenaar, maar ga nu snel. We zullen elkaar ginds weerzien.'

Mirandel knikte, sloot zijn ogen en droomde zichzelf naar de andere wereld, eeuwen voor de geboorte van Ruud, in een tijd dat er overal wouden waren en er nog weinig mensen tussen de bomen woonden. Wetend dat hij de Koning ooit opnieuw zou ontmoeten, onwetend van wanneer of waar.

Midden in een lieflijk woud stond hij, het had hem slechts een wens gekost. De tovenaar glimlachte en strekte zijn nieuwe lichaam, waar hij nu al vertrouwder mee was dan hij ooit met zijn eerste lichaam was geweest. 'Arme Isidoor. Verdwaald in een vreemde en overrompelende wereld, honderden jaren verderop. In een vreemd lichaam, gezond, zonder pest, maar nooit in staat om magie te leren.' De paarse magiër lachte vrolijk en liep het woud in. Het duurde niet lang eer hij een veldje vond, een stukje gras dat omringd was door bomen waarin diverse vogeltjes het hoogste lied zongen. Hier begon Mirandel met de bouw van een kasteel dat eigenlijk geen kasteel was. Goed, het had de façade van een kasteel, met kantelen en torens, maar daarachter was een gezellig woonhuis opgetrokken. De grootste tovenaar aller tijden hield namelijk meer van knusheid dan van grote kastelen.

Nadat Mirandel vertrokken was verhief Forantas zich boven het slot en liet zijn stem tot in alle hoeken van de wereld Elders weerklinken. Hierop verschenen de bosnimfen uit de omringende wouden en uit de bossen van achter de zoetwaterzee. Zij die lang geleden trouw gezworen hadden aan de Koning verzamelden zich in het kasteel. Ze hadden gewacht op zijn roep. Met hem zouden ze over de Barrière meegaan naar de andere wereld. De dryaden brachten de Benen Kam mee, ingelegd met melktanden en ivoor. De Kam die verhalen vertelde als je hem door je haren haalde. Terwijl Forantas zijn gevolg welkom heette stonden de drie zusters bij de gouden Kelk.

'Nachten zonder duisternis, zuster?' mompelde Viarna.

Kundire trok haar neus nadenkend op: 'Mirandel is onnavolgbaar geworden, zijn geest is nu een gesloten boek. Hij is waarlijk de grootste tovenaar, in bezit van magie die zwart noch wit is, maar paars. Waar deze tover vandaan komt is mij een raadsel.' Kundire legde haar handen om de Kelk: 'Forantas weet er meer van, maar hij zwijgt.'

'Waarom vertelde hij niet over de Barrière? Of over die andere wereld? Waarom wordt de Kelk meegenomen? Onze taak was toch hem te behoeden?'

Zo bestookten Viarna en Repanse hun oudste zus met vragen. Kundire zweeg en met haar ogen gebood ze haar zusters in de Kelk te kijken. De drie bogen zich over de Bokaal die zich met helderrood bloed vulde.

'Een illusie?'

'Inderdaad. Het bloed bevindt zich immers in de aarde.'

'Maar wat heeft het te betekenen?'

Kundire keek peinzend naar het rode oppervlak: 'Forantas, de Koning van het Woud, met haren waar winden en verhalen door ruisen, met ogen die de wateren van werelden herbergen. De Vorst, wiens woorden de aarde strelen en vruchtbaar maken. Nooit vertelde de Koning hoe hij Heer over lucht, water en aarde geworden is. Nooit vertelde hij waarom hij drie hoeders nodig had. Hij sprak tot ons en wij kwamen. Maar zijn titel vertelt veel. De Koning van het Woud is in de eerste plaats verbonden met de aarde, want uit de aarde riep hij de wouden van de wereld. De Kelk is het symbool van de wouden en behoort de aarde toe, evenals het levende bloed dat in de Kelk sluimerde tot het deel van de aarde kon worden. Het moest echter eerst bederven.'

'Hoezo?'

'De laatste inwijding van een tovenaar kan enkel via de grootste beproeving tot stand komen. Ik veronderstelde dat dit slechts betrekking had op mensen, maar blijkbaar is deze wet eveneens van toepassing op onze wereld en het levende bloed. De beproeving die Isidoor bracht, was noodzakelijk voor het ontwaken van het bloed. Volgens mij is dit de enige verklaring voor het feit dat het levende bloed na de beproeving één met de Kiem is geworden en niet terugkeerde naar de Kelk. De beproeving verzorgde de verzoening.'

Kundire keek naar haar zusters, die aarzelend knikten. De jongste sprak zacht: 'Het is de waarheid, de beproeving bracht de eenwording. Er is echter meer.'

'Meer?'

'In zijn koortsdroom ijlde de Koning. Hij sprak van hoeders elders. Hoeders, verbonden met drie elementen. Het waren veelal onsamenhangende zinnen, maar toen ik tijdens de beproeving van Mirandel bij Forantas waakte fluisterde hij helder. Hij vertelde dat de werelden altijd hoeders zullen kennen. Dat de werelden pas zonder hoeders zullen zijn wanneer de eerste en de laatste hoeder bijeen zullen komen en de Vrouwe haar stad verlaten zal.'

'Zijn er hoeders in een wereld die arm aan magie is?'

'Na Forantas' komst zal de wereld niet langer arm aan magie zijn.'

Het rode oppervlak in de Kelk werd kleurloos en helder en toonde de drie een jongen die in een kano op het water peddelde. Hij voer over een kanaal tussen hoge huizen in de richting van een rivier.

'Het is zover,' sprak Forantas tot de zusters, 'behoed het slot en de wouden tot mijn wederkomst.'

De Koning nam de Kelk in zijn handen en wervelde in het rond. Zijn gevolg van dryaden werd de wervelingen in gezogen, in een mantel van lucht die tot een storm in de troonzaal werd. Eensklaps was het voorbij, de Koning en zijn gevolg waren weg.

Het was doodstil in de grote zaal. De drie zusters en hun echtgenoten bleven achter, wachtend op wat komen zou.

Isidoor schrok met een grauw wakker. ‘Verduiveld, waar ben ik?’ Hij keek slaapdronken om zich heen en besefte dat hij zich rechtop in zijn bed bevond. Op het nachtkastje gaf de wekkerradio kwart voor twee aan. Zweet liep in straaltjes van zijn gezicht. Ja, het was bloedheet, maar dat was niet de reden van het zweten. Hij had gedroomd. Iets, zo eng of naar, dat hij er wakker van geschrokken was. Wat was het? Hij kon zich heel vaag iets herinneren over geklapwiek dat hem achtervolgde. Hij vervloekte het lichaam, de tijd en de wereld die hij uitgekozen had. Wat had hem hier naartoe gedreven? Tijdens de beproeving van de wilde wijn was hem een glimp van een wereld achter de Barrière getoond. Zowel de Barrière als die wereld hadden zijn nieuwsgierigheid gewekt. In de roes had hij geroken en de geur van tover ontwaard, magie die de zijne overtrof! Magie die zwart noch wit was, maar sterker dan beide samen. Hij had twee van de veroverde wensen gebruikt om het lichaam over te nemen en de ander in zijn lichaam te werpen. Maar het was bedrog gebleken. De magie was niet in het lichaam, maar in de ziel van die ander geweest en met hem naar Miran gegaan. Wat was hij trots geweest op zijn sterke staaltje tover, maar spijt was meteen gevolgd. Hij bleek opgesloten in een lichaam dat geen magie kende. Opgesloten in een wereld die hem zo vreemd was dat hij het huis niet durfde te verlaten. Goed, hij had zijn kennis van magie nog, maar magie was een vaardigheid van lichaam en geest. Hij moest uitvinden hoe hij dit lichaam tot een geschikt toverinstrument kon kneden. Hoe was het toen hij voor het eerst het pad der magie had betreden? Isidoor kon zich er niets van herinneren. Zijn vroegste herinnering vertelde over zijn komst naar Miran. Toen reeds was hij de grootste duistere magiër met de grootste haat tegen de Koning van het Woud.

Nu werd hij door de kilste angst bekropen.

‘Ruud!’ Hij sprong uit het bed. Dat kon toch niet? Nee, onmogelijk, het joch had van niets geweten. Vol van magie, maar volstrekt onwetend daarvan. Nee, Ruud zou nooit het meesterwerkje van Isidoor kunnen herhalen. Toch? Hij rende de badkamer binnen en bekeek het enigszins weke gezicht in de spiegel. De Gesel van Miran slaakte een zucht van opluchting: er was geen spoor van bloed te bekennen.

Toen werd zijn aandacht getrokken door een geluid uit de andere kamer. Hij draaide zich om en ging naar de slaapkamer. Daar, in het open raam, streek een grote raaf neer die hem met priemende ogen aankeek: ‘Dwaas!’ Een fluwelen stem donderde in zijn schedel, waarop Isidoor met beide handen naar zijn hoofd greep.

‘Vervloekte dwaas! Forantas was stervende, maar niet dood. Hij heeft zich kunnen herstellen en is sterker dan ooit geworden. Hij heeft de Barrière ontoegankelijk gemaakt!’

Verwonderd bekeek Isidoor de raaf. Een magiër, hier? Ongelovig strekte hij zijn hand, maar de vogel kraste en vloog op. Isidoor zakte met een zucht op het bed. De pijn was met de vogel verdwenen. Wat had dit te betekenen? Een gitzwarte raaf... hoewel, hij had de veren rood zien glanzen. Toen werd Isidoor overvallen door een verschrikkelijk inzicht. De bewustwording was zo gruwelijk dat zijn lichaam in stukken uiteen viel, terwijl zijn geest door een mangel van gillende waanzin werd gedreven. Want Isidoor besefte dat hij al vele eeuwen dood was.




Aanmelden
Gebruikersnaam

Wachtwoord

U kan hier gratis een account aanmaken.

 


Page created in 0,014752 seconds.